Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/993004-20 Datum uitspraak: 24 december 2021 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte: [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], BRP-adres: [adres], [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 18, 25 en 26 november 2021 (inhoudelijke behandeling) en 10 december 2021 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. A.C. Schaafsma en V.A.M.G. van de Bilt (hierna: de officieren van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.W.A.A. de Jong naar voren is gebracht. De officieren van justitie hebben op de terechtzitting van 25 november 2021 medegedeeld dat zij voornemens zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 3.1 Verzoek van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. De raadsman heeft hiertoe in de eerste plaats naar voren gebracht dat het vervolgen van zowel de rechtspersoon van de verdachte, als de verdachte zelf strijd oplevert met het ne bis in idem-beginsel. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een goede procesorde, te weten het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, nu zij – kort gezegd – gelet op de (persoonlijke) omstandigheden van verdachte ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek tot buitengerechtelijke afdoening. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een dubbele vervolging indien zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon wordt vervolgd. Ten aanzien van het opportuniteitsbeginsel hebben de officieren van justitie aangevoerd dat er blijkens ambtshandeling nr. 125 sprake is geweest van verdiensten door verdachte van ongeveer € 200.000,- zodat een buitengerechtelijke afdoening niet aan de orde was. 3.3. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank stelt vast dat naast de verdachte ook de rechtspersoon [medeverdachte 1], waarvan verdachte bestuurder en enig aandeelhouder is, wordt vervolgd voor dezelfde strafbare feiten als de verdachte. Het ne bis in idem-beginsel verzet zich ertegen dat eenzelfde persoon meer dan één keer wordt veroordeeld voor hetzelfde strafbare feit. In het geval van de verdachte en [medeverdachte 1] is sprake van verschillende (rechts)personen, waarbij zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid heeft. Het enkele feit dat de verdachte bestuurder en enig aandeelhouder is van de eveneens vervolgde rechtspersoon doet daar niet aan af, terwijl feiten of omstandigheden die maken dat de verdachte en [medeverdachte 1] als dezelfde persoon moeten worden beschouwd niet zijn aangevoerd. Bovendien is geen sprake van een eerdere vervolging van een van de verdachten waarop onherroepelijk is beslist, zodat ook daarom het aangehaalde beginsel toepassing mist. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman. Ten aanzien van het verweer dat vervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend om zelfstandig te beslissing of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat op slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging wegens handelen in strijd met deze beginselen. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In een geval van een zodanige aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, ook wel omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Dat hiervan sprake is, valt uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, zeker gelet op de bekennende verklaring van de verdachte bij de FIOD en het vermoede fraudebedrag, niet af te leiden. De rechtbank verwerpt het verweer. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging. 4De bewijsbeslissing 4.1. Inleiding Aanleiding onderzoek: aantreffen verdeelplannen In het kader van een (ander) strafrechtelijk fraudeonderzoek zijn eind 2016 twee mobiele telefoonnummers opgenomen en uitgeluisterd. De gebruiker van deze nummers voerde in deze periode onder meer gesprekken met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] had verschillende vennootschappen op naam staan, waarmee werkzaamheden voor derden werden verricht. In een uitgeluisterd gesprek van 4 oktober 2016 vroeg [medeverdachte 2] aan zijn gesprekspartner of deze een fictieve leningsovereenkomst kon verzorgen – uiteindelijk ten bedrage van € 70.000 – ter verantwoording van de aankoop van een BMW X6. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2] op 16 mei 2017 werd een bedrag van € 41.450 aan contanten aangetroffen, een leningsovereenkomst, alsook USB-sticks en externe harde schijven met daarop verschillende excel-bestanden genaamd ‘verdeelplan’. Deze verdeelplannen hadden kolommen getiteld: ‘bedrag opdracht’; ‘omschrijving’; ‘uitgevoerd’; en ‘te verdelen’. Drie andere kolommen hadden als titel de letters ‘J’, ‘M’ en ‘C’. Op grond van deze (en andere) bevindingen is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 2] betrokken was bij zogenaamde ‘kickback’-constructies met andere (rechts)personen ten behoeve van werkzaamheden die werden uitbesteed door woningcorporatie Vestia. Dat was de aanleiding voor het starten van het onderzoek ‘Ikszes’. Betrokkenheid medewerkers Vestia Uit nader onderzoek naar de gegevensdrager die bij [medeverdachte 2] waren aangetroffen bleek dat diverse e-mailberichten waren verstuurd of ontvangen met een verdeelplan als bijlage. Deze e-mailberichten waren gericht aan of afkomstig van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Beiden waren in de onderzoeksperiode – van 2015 tot en met medio 2018 – werkzaam bij de Rotterdamse woningcoöperatie Vestia: [medeverdachte 3] als senior vastgoedbeheerder, [medeverdachte 4] als medewerker sociaal beheer. Als senior vastgoedbeheerder was [medeverdachte 3] belast met het voorbereiden en laten uitvoeren van planmatig onderhoud en schoonmaakwerkzaamheden aan verschillende panden van Vestia. Bij de totstandkoming van de onderhouds- en schoonmaakplannen bracht [medeverdachte 4] als medewerker sociaal beheer de wensen en behoeften in van gebruikers van de panden. [medeverdachte 3] had naast zijn werk voor Vestia sinds 1 mei 2015 een eigen adviesbureau, een eenmanszaak handelend onder de naam [bedrijf 1]. [medeverdachte 4] had eveneens naast zijn baan bij Vestia een eigen bedrijfje, hoewel deze formeel gezien op naam stond van zijn echtgenote, te weten [bedrijf 2]. Bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 3] op 7 november 2018 werd een harde schijf aangetroffen met verdeelplannen (over 2017) die nog niet eerder in het onderzoek waren betrokken. Ook werd een notitieboekje aangetroffen met aantekeningen die betrekking hadden op bedragen en de personen tussen wie dat bedrag verdeeld zou worden. Onderzoek naar bankrekeningen en facturen Naar aanleiding van het aantreffen van de verdeelplannen is er onderzoek verricht naar verschillende bankrekeningen van (bedrijven van) [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]. Zodoende kwamen meerdere personen en bedrijven naar voren die mogelijk te maken hadden met de eerder genoemde kickback constructies bij het uitbesteden van werkzaamheden door Vestia. Betrokkenheid verdachte en zijn bedrijven Uit het onderzoek naar de bankrekeningen kwam naar voren dat meerdere bedrijven, die werkzaamheden uitvoerden voor en in rekening brachten aan Vestia, betalingen hadden gedaan aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], zowel rechtstreeks als via derde (rechts)personen, die vaak enkel als doorgeefluik fungeerde. Op dit moment in het onderzoek kwamen verdachte [verdachte] en zijn bedrijven [medeverdachte 1] en – in mindere mate – [bedrijf 3] naar voren. [medeverdachte 4] was bij Vestia betrokken bij de hernieuwde aanbesteding van schoonmaakopdrachten voor complexen van Vestia in Rotterdam Zuid. De verdachte heeft samen met [medeverdachte 4] het plan bedacht om hier zelf aan te verdienen. [verdachte] heeft aan een drietal schoonmaakbedrijven gevraagd of zij mee wilden doen aan de aanbesteding, waarbij hij hen zei dat zij de opdracht gegund zouden krijgen als zij bereid waren om 10% van de omzet als ‘omzetfee’ te betalen aan hem en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3], althans twee medewerkers van Vestia. De verdachte heeft zodoende bij de opzet van het plan een bemiddelende rol gespeeld. Vervolgens heeft de verdachte zijn bedrijven [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] gebruikt om facturen op te stellen aan de schoonmaakbedrijven voor de afgesproken omzetfee, waarna hij een deel van de ontvangen betalingen doorbetaalde aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. Aangifte Vestia Bij brief van 29 december 2020 heeft Vestia aangifte gedaan van valsheid in geschrift, oplichting, verduistering (in dienstbetrekking), niet-ambtelijk omkoping en (gewoonte)witwassen. Destijds werd de schade veroorzaakt door deze strafbare feiten geschat op een bedrag tussen de € 2 en € 4 miljoen, daargelaten de kosten gemoeid met juridische bijstand, onderzoekskosten en schadeafwikkeling. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn ontslagen. Medeverdachten In de loop van het onderzoek Ikszes zijn naast [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] 54 (rechts)personen aangemerkt als verdachten. De zaken van 33 verdachten worden thans door deze rechtbank behandeld. Behandeling door rechtbank Den Haag Aanvankelijk was het voornemen van de officier van justitie om de verdachten te vervolgen bij de rechtbank Rotterdam. Nadat gebleken was dat één van hen [medeverdachte 8] tot eind 2019 werkzaamheden had verricht op die rechtbank, is de strafzaak bij beschikking van 22 januari 2020 – op grond van het bepaalde in artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie – ter verdere behandeling naar de rechtbank Den Haag verwezen. Tenlastegelegde feiten Kort gezegd wordt aan de verdachte verweten dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd, tezamen en in vereniging met anderen, door offertes van de bedrijven [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] aan Vestia valselijk op te maken (feit 1). Daarnaast is aan de verdachte valsheid in geschrift tenlastegelegd door facturen van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 8], [medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 7] en een factuur van [bedrijf 3] aan [medeverdachten 5 en 6] valselijk op te maken (feit 2). Voorts wordt de verdachte verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van niet-ambtelijke omkoping van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] voor geldbedragen van € 17.652,69 en € 158.751.10 (feit 3). Daarnaast wordt hem verweten dat hij samen met anderen Vestia heeft opgelicht in het kader van de aanbesteding van schoonmaakcontracten door verschillende schoonmaakbedrijven valselijk opgemaakte offertes te laten indienen bij Vestia en te zorgen dat deze bedrijven aanbestedingen gegund kregen, terwijl hierover overleg en afstemming had plaatsgevonden en met die bedrijven was afgesproken dat zij verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hiervoor vergoedingen zouden betalen, waardoor Vestia werd bewogen tot het aangaan van meerdere onderhoudsovereenkomsten met genoemde schoonmaakbedrijven en tot afgifte van meerdere geldbedragen, te weten € 369.686,43, € 351.707,21 en € 367.794,66 (feit 4). Tot slot is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door van twee geldbedragen, te weten € 27.715,64 en € 347.348,65, de aard en herkomst te verhullen en deze bedragen om te zetten (feit 5). 4.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 4.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten voor zover dit [medeverdachte 8] aangaat. De verdediging heeft betoogd dat [medeverdachte 8] niet bereid was om 10% van de omzet af te staan. De verdachte heeft daadwerkelijk werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 8] en de facturen van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 8] zien dan ook op deze werkzaamheden. Voor wat betreft de schoonmaakbedrijven [medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 7] heeft de verdediging gesteld dat ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 niet kan worden bewezen dat de verdachte deze handelingen heeft gepleegd en ook niet dat hij een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad met de medeverdachten, zodat van medeplegen evenmin sprake is en hij van deze feiten moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 5 (witwassen) heeft de verdediging primair betoogd dat vrijspraak dient te volgen nu er geen sprake is van geld ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat het tenlastegelegde bedrag dient te worden verminderd met het bedrag dat ziet op [medeverdachte 8] en dat voorts moet worden uitgegaan van de bedragen exclusief BTW. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat sprake is van een kwalificatie-uitsluitingsgrond voor zover het gaat om het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen uit eigen misdrijf. 4.4. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 4.5. Bewijsoverwegingen De rechtbank is met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De verdachte en [medeverdachte 4] leerden elkaar rond 2011 kennen tijdens de organisatie van een (schaats)evenement van Vestia. In de jaren daarna bleven zij contact houden. Op enig moment in de eerste maanden van 2015 vertelde [medeverdachte 4] aan de verdachte dat hij bij Vestia, samen met zijn collega [medeverdachte 3], aan de slag ging met de (hernieuwde) aanbesteding van de schoonmaakwerkzaamheden voor meerdere wooncomplexen van Vestia in Rotterdam Zuid. [medeverdachte 4] en de verdachte bespraken daarbij het idee om hier zelf ook wat aan te verdienen. Aan de verdachte werd gevraagd of hij schoonmaakbedrijven kende die hiervoor in aanmerking zouden kunnen komen. De verdachte heeft vervolgens drie bedrijven, te weten [medeverdachte 7] (de houdstermaatschappij van [medeverdachte 7], hierna: [medeverdachte 7], of [medeverdachte 7]), [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] (hierna gezamenlijk: [medeverdachten 5 en 6]) en [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8]) benaderd met de vraag of zij interesse hadden om mee te doen in de aanbesteding, waarbij de opdracht aan hen gegund zou worden in ruil voor betaling van 10% van de omzet – door een aantal verdachten ‘omzetfee’ genoemd – aan verdachte en twee personen bij Vestia. De verdachte vertelde aan [medeverdachte 4] dat alle drie de partijen mee wilden doen in de aanbesteding en bereid waren om hiervoor een omzetfee te betalen. Vestia heeft vervolgens aan meerdere schoonmaakbedrijven, waaronder [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], gevraagd om uiterlijk voor 17 april 2015 een offerte in te dienen. [medeverdachte 4] heeft een overzicht gemaakt van alle ingezonden offertes. Dat overzicht bevat de geoffreerde prijzen per partij per te verdelen wijk voor de schoonmaak enerzijds en de glasbewassing anderzijds. [medeverdachte 3] heeft vervolgens selectiecriteria opgesteld – waaronder de prijs – aan de hand waarvan de offertes werden beoordeeld en punten aan partijen werden toegekend. In een volgend overzicht werden de bedragen bij [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] (en niet bij de andere aanbieders) zodanig aangepast dat deze drie partijen, mede op basis van de opgestelde selectiecriteria, steeds voor één of meer wijken als beste uit de bus kwamen. Vervolgens is aan [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] de gelegenheid geboden om de reeds ingediende offerte aan te passen met de door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] vastgestelde bedragen. De nieuwe offertes zijn op 1 mei 2015 ingediend bij Vestia, terwijl de sluitingsdatum 17 april 2015 was. Op de nieuwe offertes is de datum niet aangepast, waardoor deze nog steeds op 15 of 17 april 2015 stond. Door op deze nieuwe, pas op 1 mei 2015 ingediende offertes, de oude (inlever)datum te laten staan, is sprake van een antedatering. Vestia heeft de schoonmaakopdrachten aan [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] gegund op grond van aangepaste en geantedateerde offertes. De rechtbank stelt vast dat de offertes door het aanpassen en antedateren valselijk zijn opgemaakt door [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en zijn gebruikt ter verkrijging van onderhoudsovereenkomsten van Vestia. Om het afgesproken deel van de betalingen van de schoonmaakbedrijven vervolgens bij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] te krijgen heeft [verdachte] via zijn bedrijven [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] gefactureerd aan [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7]. Op de facturen werden werkzaamheden als ‘commerciële ondersteuning’ vermeld. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de facturen zien op de afspraak om 10% van de opdrachtsom te betalen aan de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in ruil voor gunning van het werk. Die afspraak kwalificeert, zoals hierna wordt overwogen voor zover het gaat om [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], als omkoping. De omschrijvingen op de facturen zijn louter bedoeld om deze omkoping en de bijbehorende betaalstroom een titel te verschaffen en de werkelijke aard van de betaalstroom te verhullen. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat de facturen niet vals zijn, omdat er sprake is geweest van ‘commerciële ondersteuning’, bestaande uit het bijeen brengen van partijen. Nadat de verdachte betalingen van de schoonmaakbedrijven had ontvangen stuurde hij een bericht naar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] met daarin de bedragen en de omschrijvingen die zij op facturen aan hem moesten vermelden. Vervolgens stuurde [medeverdachte 3] een factuur van [bedrijf 1] aan [medeverdachte 1] overeenkomstig het voorstel van de verdachte. [medeverdachte 4] deed ditzelfde via [bedrijf 2]. Op deze manier ontvingen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hun deel van de betaling, terwijl werd gedaan alsof de genoemde bedrijven werkzaamheden hadden verricht. Hieruit volgt dat ook de facturen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [medeverdachte 1] valselijk zijn opgemaakt. De raadsman heeft het verweer gevoerd dat voor de tenlastegelegde feiten ten aanzien van [medeverdachte 8] vrijspraak zou moeten volgen, omdat – zoals de verdachte ook in zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris uiteen heeft gezet – [medeverdachte 9] niet bereid was om omzetfee te betalen en dat ook nooit heeft gedaan. De verdachte hield aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de schijn op dat dit wel zo was, om zo het plan in stand te houden. De rechtbank verwerpt dat verweer. De rechtbank houdt de verdachte aan zijn verklaringen zoals hij deze bij de FIOD heeft afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij partijen bij elkaar heeft gebracht, dat [medeverdachte 8] een stukje van de aanbesteding van Vestia heeft gekregen en daarna hem, de verdachte, heeft ingehuurd, dat [medeverdachte 9] hem, de verdachte, betaalde met de wetenschap dat de verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] wilde betalen, dat er een relatie was tussen de totale omzet van [medeverdachte 8] en de facturen van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 8], dat de facturen zijn opgemaakt om de omzetfee van [medeverdachte 8] te krijgen, dat daar wel tegenover staat dat de verdachte werkzaamheden heeft verricht voor [medeverdachte 8] en dat een deel van de omzetfee werd doorbetaald aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Deze verhoren zijn door de verdachte ondertekend en bovendien is zijn vorige raadsman aanwezig geweest. De rechtbank maakt uit deze verklaringen op dat [medeverdachte 8], net als de twee andere schoonmaakbedrijven, met de verdachte heeft afgesproken om in ruil voor de gunning van schoonmaakwerkzaamheden door Vestia een bedrag ter grootte van 10% van de daarmee te behalen omzet aan de verdachte te betalen en ook dat [medeverdachte 8] die afspraak is nagekomen. Daarbij wist [medeverdachte 9] dat de verdachte een deel van dat bedrag zou doorbetalen aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], dus wist hij ook dat hij in ruil voor schoonmaakovereenkomsten met Vestia via de verdachte twee medewerkers van Vestia omkocht. Dat [medeverdachte 9] heeft bedongen dat de verdachte werkzaamheden voor hem zou verrichten is slechts een extra voorwaarde, maar maakt de afspraken niet minder strafwaardig. Daarover het volgende. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 8] meerdere facturen gestuurd met dezelfde bedragen. De omschrijvingen op de facturen hebben een abstract of algemeen karakter. Dezelfde omschrijvingen komen gedeeltelijk op meerdere facturen terug. Zo is er door de verdachte voor zijn, naar eigen zeggen, adviezen ten aanzien van een ‘kwaliteitsapp’ meerdere keren gefactureerd. De rechtbank constateert dat het totaalbedrag aldus hoger is dan de kosten die blijkens de factuur van de software ontwikkelaar met de technische ontwikkeling van de app zijn gemoeid. Daarbij moet voorts nog worden aangetekend dat het ontwikkelen van of het begeleiden van de ontwikkeling van een app in het geheel geen vakgebied van de verdachte is, net zomin als de kwaliteitscontrole op professionele schoonmaakwerkzaamheden dat is. Tenslotte kan worden vastgesteld dat tussen de verdachte en [medeverdachte 9] vooraf geen afspraken zijn gemaakt over de kosten die de verdachte voor zijn werkzaamheden zou kunnen gaan factureren. De rechtbank acht gelet hierop de verklaringen die de verdachte bij de rechter-commissaris en ter zitting heeft afgelegd ongeloofwaardig. De rechtbank wil aannemen dat de verdachte wel iets heeft gedaan voor [medeverdachten 8 en 9], maar neemt niet aan dat die activiteiten een bedrag ter grootte van 10% van de omzet waard waren. Ook deze facturen zijn opgemaakt om werkelijke aard van de betaalstroom van [medeverdachte 8] aan de verdachte (en van de verdachte aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]) te verhullen. Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de offertes en facturen zoals tenlastegelegd valselijk zijn opgemaakt. De verdachte heeft hierbij een rol gespeeld als tussenpersoon tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aan de ene kant en de schoonmaakbedrijven aan de andere kant. Daarnaast fungeerde hij samen met zijn bedrijf als doorgeefluik voor de betaalstroom door aan de schoonmaakbedrijven te factureren en vervolgens gedeeltelijk door te betalen aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de medeverdachten, zodat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] via [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] een totaalbedrag van (€ 17.652,69 + € 158.751,10 =) € 176.403,79 als giften aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben betaald om de schoonmaakovereenkomsten met Vestia te verkrijgen en te behouden. Uit het verhoor van [medeverdachte 4] en getuige [getuige 1] volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] geen toestemming hadden om mee te werken aan de ‘bemiddelingswerkzaamheden’ en hiervoor een vergoeding van die bedrijven te ontvangen, zodat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben gehandeld in strijd met hun plicht. Gelet op de voornoemde afspraken die de verdachte met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft gemaakt en de verhullende omschrijvingen op de facturen van en aan de bedrijven van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs kon en moest weten dat de [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in strijd met hun plicht handelden. De rechtbank verklaart feit 3 wettig en overtuigend bewezen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben willens en wetens valse offertes opgesteld en ingediend bij Vestia. Samen hebben zij het offertetraject gemanipuleerd. De schoonmaakbedrijven [medeverdachten 5 en 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] hebben een bedrag van 10% van de contractwaarde betaald aan [medeverdachte 1], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] in de wetenschap dat een deel daarvan aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] werd doorbetaald. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich met medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan oplichting van Vestia. Door deze listige kunstgrepen en dit samenweefsel van verdichtsels is bij Vestia een onjuiste voorstelling van zaken ontstaan en daar is misbruik van gemaakt door de verdachten. Hierdoor hebben zij Vestia bewogen tot het aangaan van meerdere onderhoudsovereenkomsten en tot betaling van grote geldbedragen. De rechtbank verklaart de onder feit 4 tenlastegelegde oplichting daarom wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft een geldbedrag van € 17.652,69 via [bedrijf 3] en een geldbedrag van € 158.751,10 via [medeverdachte 1] betaald aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Deze geldbedragen zijn van misdrijf afkomstig, te weten de oplichting van Vestia. De verdachte heeft deze geldbedragen, na ontvangst van betaling door de schoonmaakbedrijven, omgezet door deze over te boeken naar de bedrijven van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en deze bedragen zodoende witgewassen. Gelet op de periode en de regelmaat waarmee de frauduleuze handelingen zijn gepleegd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van gewoontewitwassen. 4.6. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1. hij in de periode van 17 april 2015 tot en met mei 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, te weten meerdere offertes, telkens gericht aan Vestia, ten name van [medeverdachten 5 en 6] (DOC‐215‐15c en/of –d); en [medeverdachte 7] (DOC‐215‐15a t/m –
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.