Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/993001-20 Datum uitspraak: 24 december 2021 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats], BRP-adres: [adres], [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 en 25 november 2021, 2 december 2021 (inhoudelijke behandeling) en 10 december 2021 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. A.C. Schaafsma en V.A.M.G. van de Bilt (hierna: de officieren van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mrs. A. Gonesh en R.J. van Eenennaam (hierna: de verdediging) naar voren is gebracht. De officieren van justitie hebben op de terechtzitting van 25 november 2021 medegedeeld dat zij voornemens zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3De bewijsbeslissing 3.1. Inleiding Aanleiding onderzoek: aantreffen verdeelplannen In het kader van een (ander) strafrechtelijk fraudeonderzoek zijn eind 2016 twee mobiele telefoonnummers opgenomen en uitgeluisterd. De gebruiker van deze nummers voerde in deze periode onder meer gesprekken met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]). [medeverdachte 1] had verschillende vennootschappen op naam staan, waarmee werkzaamheden voor derden werden verricht. In een uitgeluisterd gesprek van 4 oktober 2016 vroeg [medeverdachte 1] aan zijn gesprekspartner of deze een fictieve leningsovereenkomst kon verzorgen – uiteindelijk ten bedrage van € 70.000 – ter verantwoording van de aankoop van een BMW X6. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] op 16 mei 2017 werd een bedrag van € 41.450 aan contanten aangetroffen, een leningsovereenkomst, alsook USB-sticks en externe harde schijven met daarop verschillende excel-bestanden genaamd ‘verdeelplan’. Deze verdeelplannen hadden kolommen getiteld: ‘bedrag opdracht’; ‘omschrijving’; ‘uitgevoerd’; en ‘te verdelen’. Drie andere kolommen hadden als titel de letters ‘J’, ‘M’ en ‘C’. Op grond van deze (en andere) bevindingen is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 1] betrokken was bij zogenaamde ‘kickback’-constructies met andere (rechts)personen. Dat was de aanleiding voor het starten van het onderzoek ‘Ikszes’. Betrokkenheid medewerkers Vestia Uit nader onderzoek naar de gegevensdragers die bij [medeverdachte 1] waren aangetroffen bleek dat er diverse e-mailberichten waren verstuurd of ontvangen met een verdeelplan als bijlage. Deze e-mailberichten waren gericht aan of afkomstig van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]). Beiden waren in de onderzoeksperiode – van 2015 tot en met medio 2018 – werkzaam bij de Rotterdamse woningcoöperatie Vestia, [medeverdachte 2] als senior vastgoedbeheerder, [medeverdachte 3] als medewerker sociaal beheer. [medeverdachte 2] is de zoon van de verdachte [verdachte]. Als senior vastgoedbeheerder was [medeverdachte 2] belast met het voorbereiden en laten uitvoeren van planmatig onderhoud aan verschillende panden van Vestia. Bij de totstandkoming van de onderhoudsplannen bracht [medeverdachte 3] als medewerker sociaal beheer de wensen en behoeften in van gebruikers van de panden. [medeverdachte 2] had naast zijn werk voor Vestia sinds 1 mei 2015 een eigen adviesbureau, een eenmanszaak handelend onder de naam ‘[bedrijf 1]’. Bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2] op 7 november 2018 werd een harde schijf aangetroffen met verdeelplannen (over 2017) die nog niet eerder in het onderzoek waren betrokken. Ook werd een notitieboekje aangetroffen met aantekeningen die betrekking hadden op bedragen en de personen tussen wie dat bedrag verdeeld zou worden. Onderzoek naar bankrekeningen en facturen Naar aanleiding van het aantreffen van de verdeelplannen is er onderzoek verricht naar verschillende bankrekeningen van (bedrijven van) [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. Ook is gekeken naar de transacties op bankrekeningen van (bedrijven van) de verdachte ([verdachte]) en de echtgenote van [medeverdachte 3]. De verdachte dreef een eenmanszaak handelend onder de naam ‘[bedrijf 3]’; de echtgenote van [medeverdachte 3] een eenmanszaak genaamd ‘[bedrijf 2]’. Betrokkenheid onderhouds- en schoonmaakbedrijven Uit het onderzoek naar de bankrekeningen kwam naar voren dat in totaal 27 bedrijven, die werkzaamheden uitvoerden voor en in rekening brachten aan Vestia, betalingen hadden gedaan aan [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3], zowel rechtstreeks als via derde (rechts)personen, waaronder via het bedrijf van de verdachte, te weten [bedrijf 3]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verstuurden – via [medeverdachte 2]s adviesbureau en via het bedrijf van [medeverdachte 3]’ echtgenote – facturen aan deze bedrijven, vermoedelijk om zodoende betaling te verkrijgen van dat deel dat hen volgens de verdeelplannen toekwam. Het vermoeden is dat de verdachte met zijn bedrijf [bedrijf 3] diverse valse facturen aan meerdere schoonmaak- en onderhoudsbedrijven heeft verstuurd, zodat de steekpenningen die door voornoemde bedrijven werden betaald bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] terechtkwamen. Aangifte Vestia en voeging als benadeelde partij Bij brief van 29 december 2020 heeft Vestia aangifte gedaan van valsheid in geschrift, oplichting, verduistering (in dienstbetrekking), niet-ambtelijk omkoping en (gewoonte)witwassen. Destijds werd de schade veroorzaakt door deze strafbare feiten geschat op een bedrag tussen de € 2 en € 4 miljoen, daargelaten de kosten gemoeid met juridische bijstand, onderzoekskosten en schadeafwikkeling. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn ontslagen. Bij brief van op 30 juli 2021 heeft Vestia zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces tegen de verdachte en zestien medeverdachten. Opgeteld bedraagt de vordering (afgerond) € 2.973.631, inclusief btw en exclusief wettelijke rente. Van de verdachte wordt – onder meer – het bedrag van € 123.500,- gevorderd ter vergoeding van de geleden schade. Vestia is met een aantal andere medeverdachten een buitengerechtelijke afdoening van de (gestelde) schade overeengekomen. Medeverdachten In de loop van het onderzoek Ikszes zijn naast [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] 54 (rechts)personen aangemerkt als verdachten. De zaken van 33 verdachten zijn thans door deze rechtbank behandeld. Behandeling door rechtbank Den Haag Aanvankelijk was het voornemen van de officier van justitie om de verdachten te vervolgen bij de rechtbank Rotterdam. Nadat gebleken was dat één van hen ([medeverdachte 4]) tot eind 2019 werkzaamheden had verricht op die rechtbank, is de strafzaak bij beschikking van 22 januari 2020 – op grond van het bepaalde in artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie – ter verdere behandeling naar de rechtbank Den Haag verwezen. Beoordeling tenlastegelegde feiten Kort gezegd wordt aan de verdachte verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door in strijd met de waarheid in meerdere facturen van [bedrijf 3] aan [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [bedrijf 4] en [medeverdachte 9] werkzaamheden op te nemen die in werkelijkheid niet of niet in die omvang zijn verricht (feit 1). Tevens wordt de verdachte verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van een bedrag van € 644.241,63 door hiervan de aard en herkomst te verhullen en dit bedrag om te zetten door dit over te maken aan medeverdachten (feit 2). 3.2 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 3.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. 3.4 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 3.5 Bewijsoverwegingen De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. Feit 1: valsheid in geschrift Facturen aan [medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 8] ([medeverdachte 7]) Ten aanzien van de facturen die door [bedrijf 3] zijn gestuurd aan [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] overweegt de rechtbank het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er door Vestia een uitvraag is gedaan bij verschillende bedrijven om een offerte in te dienen ten behoeve van schoonmaakwerkzaamheden. Na overleg tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is onder andere [medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 8] (o.a. [medeverdachte 7]) de gelegenheid geboden om de offerte zo aan te passen dat deze als beste naar voren kwam. De bedoeling van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] was namelijk dat de opdracht zou worden gegund aan onder andere [medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 8]. Deze twee bedrijven waren namelijk bereid om 10% van de omzet aan de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] af te staan. De bedragen op de offertes zijn op zo’n manier verlaagd en verhoogd dat onder andere [medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 8] op grond van alle criteria als beste naar voren zouden komen. Daar zorgden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] voor. De afspraak was dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] 10% van de omzet zouden krijgen als de opdracht aan {medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 8] werd gegund. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat, om die 10% van de omzet bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te krijgen, facturen valselijk werden opgemaakt. Door [bedrijf 3], de eenmanszaak van de verdachte, werden facturen opgesteld aan [medeverdachte 6], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] voor bedragen die overeen kwamen met 10% van de omzet van [medeverdachten 5 en 6] en [medeverdachte 8]. Nadat deze facturen door de genoemde bedrijven aan [bedrijf 3] waren overgemaakt, betaalde de verdachte de bedragen vervolgens door aan de bedrijven van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Hieruit volgt dat deze onderliggende facturen valselijk zijn opgemaakt en enkel dienden om de administratie compleet te maken en zorg te dragen dat de geldbedragen bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] terecht kwamen. De verdachte heeft verklaard dat hij degene is die binnen [bedrijf 3] de facturen opstelde. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij via het bedrijf van de verdachte factureerde om de ‘’fee’’ te ontvangen om zodoende te voorkomen dat hij rechtstreeks aan de schoonmaakbedrijven moest factureren. Door [medeverdachte 3] is verder verklaard dat de verdachte hier vanaf wist. Facturen aan [bedrijf 4] Uit een van de aangetroffen verdeelplannen uit 2017 volgt dat er voor een opdracht uit te voeren door ‘ham’, bedragen te verdelen zijn van onder andere € 16.000,- en € 2.000,-. [bedrijf 4] heeft in 2017 schilderwerkzaamheden verricht voor Vestia aan het complex [complex 1] voor € 99.729,- (excl. BTW). In de periode van 11 september 2017 tot en met 7 november 2017 heeft [bedrijf 4] acht facturen gestuurd met een totaalbedrag van € 99.728,-. Deze facturen zijn door Vestia betaald. Later is er nog meerwerk uitgevoerd door [bedrijf 4] voor € 10.000,- (excl. BTW) en hiervoor zijn er twee facturen van € 5.000,- aan Vestia verstuurd. Vervolgens zijn op 28 november 2017 en 5 januari 2018 facturen gestuurd door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] voor respectievelijk € 10.000,- en € 13.600,- (allen BTW verlegd). Door [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10]), eigenaar van [bedrijf 4], is verklaard dat hij die facturen heeft betaald, maar dat hier geen werkzaamheden voor hebben plaatsgevonden. Hij heeft deze facturen op verzoek van [medeverdachte 2] betaald omdat [medeverdachte 10] de opdracht van Vestia had gekregen en hier iets tegenover moest staan. De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat het werk dat op de facturen van [bedrijf 3] is vermeld niet is verricht en dat deze facturen enkel zijn opgesteld om het meerbedrag, zoals op de verdeelplannen staat vermeld, via het bedrijf van de verdachte [verdachte] bij zijn zoon [medeverdachte 2] te krijgen, zodat de facturen door [bedrijf 3] valselijk zijn opgemaakt. Facturen aan [medeverdachte 8] De rechtbank overweegt dat op 6 maart 2017 door [bedrijf 3] een factuur is gestuurd aan [medeverdachte 8] voor een bedrag van € 24.000,- (btw verlegd), welke factuur op 10 maart 2017 door [medeverdachte 8] is betaald. Op 13 maart 2017 is vervolgens een geldbedrag van € 22.800,- overgemaakt door [bedrijf 3] op de rekening van [bedrijf 2] (het bedrijf van de echtgenote van [medeverdachte 3]). Door [medeverdachte 3] is verklaard dat het idee was om via de rekening van [bedrijf 3] geld door te sluizen en dat hij er geen werkzaamheden voor heeft verricht. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de factuur van [bedrijf 3] aan [medeverdachte 8] valselijk is opgemaakt en enkel is gebruikt om een geldbedrag via [medeverdachte 8] bij [medeverdachte 3] te krijgen. Facturen aan [medeverdachte 9] Ten aanzien van de facturen die door [bedrijf 3] zijn gestuurd aan [medeverdachte 9] B.V. overweegt de rechtbank het volgende. Complex [complex 2]: Uit de bewijsmiddelen blijkt dat voor de opdracht ‘Herman’ een offerte is gedaan door [medeverdachte 9] voor een bedrag van € 269.640,-. Dit bedrag is ook door [medeverdachte 9] aan Vestia gefactureerd en door Vestia aan [medeverdachte 9] betaald. Uit het verdeelplan volgt dat het werk voor € 229.640,- is uitgevoerd, waardoor er een te verdelen bedrag over is gebleven van € 40.000,-. Hiervan is volgens het verdeelplan twee derde deel (€ 26.666,67) voor [medeverdachte 2]. In de periode van maart 2017 tot april 2017 heeft [medeverdachte 9] facturen van in totaal € 29.400,- betaald aan [bedrijf 3] voor ‘houtrotherstel’. Op de dag van ontvangst heeft [bedrijf 3] de bedragen direct overgemaakt naar [bedrijf 1], in totaal voor € 22.800,-. Op deze manier is het meerbedrag op de offerte van [medeverdachte 9] aan Vestia, via [medeverdachte 9] en [bedrijf 3] bij [medeverdachte 2] terecht gekomen. De rechtbank stelt verder vast dat het werk dat op de facturen van [bedrijf 3] niet is verricht en dat deze facturen enkel zijn opgesteld om het meerbedrag, zoals op de verdeelplannen staat vermeld, via het bedrijf van de verdachte bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te krijgen, zodat de facturen door [bedrijf 3] & onderhoudswerken valselijk zijn opgemaakt. Project [project 1] Uit het verdeelplan en de onderhoudsovereenkomst blijkt dat [medeverdachte 9] voor een bedrag van € 639.311,50 een opdracht heeft aangenomen voor groot onderhoud en duivenoverlast bij project [project 1]. Er zijn twee opdrachtformulieren ten aanzien van deze opdracht: één voor € 619.311,50 en één voor € 20.000,-. Volgens het verdeelplan is er met deze opdracht € 40.000,- te verdelen waarvan € 20.000,- voor [medeverdachte 2]. Op 23 februari 2018 is er op de rekening van [bedrijf 3] een bedrag van € 20.000,- bijgeschreven afkomstig van [medeverdachte 9]. Op 5 en 8 maart 2018 is twee keer € 10.000,- overgeschreven naar het rekeningnummer van [medeverdachte 2]. De rechtbank stelt verder vast dat het werk omschreven op de facturen van [bedrijf 3] niet is verricht en dat deze facturen enkel zijn opgesteld om het meerbedrag, zoals op de verdeelplannen staat vermeld, via het bedrijf van de verdachte [verdachte] bij de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te krijgen, zodat de facturen door [bedrijf 3] valselijk zijn opgemaakt. Project [project 2] Met betrekking tot project [project 2] is er een onderhoudsovereenkomst gesloten tussen [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6]) en Vestia voor het schilderen van bergingsdeuren en coaten van de vloeren in de complexen [complex 3] in Rotterdam. Het schilderen van de bergingsdeuren heeft [bedrijf 6] uitbesteed aan [medeverdachte 9] voor een bedrag van € 180.720,-. [medeverdachte 9] heeft dit bedrag in vier termijnen gefactureerd aan [bedrijf 6]. In het overzicht van [medeverdachte 9] met betrekking tot dit project blijkt dat het schilderwerk voor € 22.000,- is uitbesteed aan [bedrijf 3]. Dit bedrag is op 5 januari 2018 door [medeverdachte 9] ook overgemaakt op rekening van de verdachte. Anderhalf uur later is dit bedrag vervolgens overgemaakt op rekening van [medeverdachte 2]. De rechtbank stelt vast dat dit werk niet is verricht en dat de facturen valselijk zijn opgesteld om zo de geldstroom vanuit [medeverdachte 9] richting [medeverdachte 2] niet te laten opvallen. Verdere facturen 2017 [bedrijf 3] heeft facturen gezonden aan [medeverdachte 9] met als omschrijving werkzaamheden conform offerte houtrot herstel werknummer 2016.0766, eerste termijn, tweede termijn, sluittermijn en meerwerk. Naar aanleiding van deze facturen heeft [medeverdachte 9] op 3 maart 2017 een bedrag van € 8.160, op 31 maart 2017 opnieuw een bedrag van € 8.160, op 21 april 2017 een bedrag van € 8.180 en op 2 juni 2017 een bedrag van € 2.000 betaald aan [bedrijf 3]. Deze bedragen maken onderdeel uit van een verdeelplan. [bedrijf 3] heeft in 2017 bijna het gehele ontvangen banksaldo doorbetaald aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat het werk op de facturen van [bedrijf 3] niet is verricht en dat deze facturen enkel zijn opgesteld om het meerbedrag, zoals op het verdeelplan staat vermeld, via het bedrijf van de verdachte bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te krijgen, zodat de facturen door [bedrijf 3] valselijk zijn opgemaakt Feit 2: Witwassen De rechtbank overweegt dat de verdachte door met zijn bedrijf [bedrijf 3] als tussenschakel te fungeren tussen enerzijds [medeverdachte 6], [medeverdachte 5], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [bedrijf 4] en [medeverdachte 9] en anderzijds de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], in totaal € 565.567,50 heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat dit geld was verkregen op basis van valse facturen en zodoende van misdrijf afkomstig was. Hiermee is er sprake van witwassen.. Gelet op de periode, het aantal bedrijven en de frequentie van het doorbetalen stelt de rechtbank vast dat er sprake is van gewoontewitwassen. 3.6. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1. hij in de periode van 26 november 2016 tot en met 7 november 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermaals geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, te weten meerdere facturen telkens op naam van [bedrijf 3], gericht aan: ‐ [medeverdachte 5] (DOC‐079a en –b; DOC‐085‐1, ‐3, ‐5, ; DOC‐093‐1, en 2) en ‐ [medeverdachte 6] (DOC‐085‐7, 9‐10 t/m ‐12) en ‐ [medeverdachte 7] BV (DOC‐078a; DOC‐080A, ‐C; DOC‐085‐2, ‐4, en ‐6; DOC‐099‐1 t/m ‐19) en ‐ [medeverdachte 8] (DOC‐061‐1, ‐3 en ‐4) en ‐ [bedrijf 4] (DOC‐081; DOC‐083; DOC‐183) en ‐ [medeverdachte 9] (DOC‐080‐e; DOC‐128‐19a, ‐c, ‐e, ‐g, ‐i, ‐k, ‐m, ‐p; DOC‐128‐24); immers hebben verdachte en zijn mededaders, telkens valselijk in strijd met de waarheid op genoemde facturen werkzaamheden vermeld die in werkelijkheid niet door hem, verdachte, en [bedrijf 3] waren verricht en op die facturen genoemde bedragen in werkelijkheid betrekking hadden op doorbetalingen aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2. hij in de periode vanaf 26 november 2016 tot en met 7 november 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen meermalen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.