← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:14797

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/7969 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2021 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. U. Arslan), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. P. Siemerink). Procesverloop In het besluit van 6 april 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2021 een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) van € 556,91 per vier weken. In het besluit van 25 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] , als waarnemer van zijn gemachtigde, en door zijn zoon, [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Deze zaak heeft betrekking op het aan eiser in het primaire besluit toegekende pgb van € 556,91 per vier weken. Het pgb is verstrekt over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni
  2. De ondersteuning richt zich op het voeren van een huishouden, intensiteit Basis, en op sociaal en persoonlijk functioneren, intensiteit Plus. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij na het overlijden van zijn vrouw in een neerwaartse spiraal is terechtgekomen. Als gevolg van zijn fysieke en psychische klachten moet zijn zoon alle taken op zich nemen. Dit betreft zowel de huishoudelijke taken als de persoonlijke verzorging van eiser. Het toegekende budget komt neer op één uur zorg per dag. Dit is niet toereikend. De zorg van eiser beslaat veel meer uren op een dag. De door de zoon van eiser geboden zorg gaat de gebruikelijke zorg te boven.
  3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak, omdat het gaat om een toegekend pgb voor een in het verleden liggende en dus afgesloten periode.
  4. Uit vaste rechtspraak volgt dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden (zie ECLI:NL:CRVB:2019:219).
  5. In de brief van 26 augustus 2021 heeft de rechtbank eiser gevraagd het procesbelang te onderbouwen. Eiser voert aan dat hij door het te lage pgb niet de juiste en volledige zorg heeft ontvangen die hij nodig had. De vriendin van de zoon van eiser is verpleegkundige en heeft kosteloos meegeholpen met de zorg voor eiser. Eiser heeft inmiddels een Wlz-indicatie ontvangen. Hieruit blijkt dat eiser intensieve begeleiding en zorg nodig heeft. Verweerder is daarom ten onrechte uitgegaan van gebruikelijke zorg.
  6. Naar het oordeel van de rechtbank levert hetgeen eiser betoogt geen procesbelang op. Niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt, dan wel dat een betalingsverplichting vanwege geleverde ondersteuning is ontstaan. De vriendin van eisers zoon heeft immers kosteloos meegeholpen met de zorg van eiser. Daarnaast is niet aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Eiser beschikt thans namelijk over een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Dankzij die indicatie krijgt eiser thans in elk geval passende zorg. De rechtbank betreurt het dat eiser door het lage bedrag van het pgb in de periode in geding onvoldoende zorg heeft kunnen inkopen. Helaas geeft dit geen aanleiding om het beroep inhoudelijk te beoordelen. De periode waarover het hier gaat ligt immers in het verleden.
  7. Het beroep is wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december
  9. griffier rechter de griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.