← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:15047

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.719 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V nummer] (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: R.P.G. van Bel). Procesverloop Bij besluit van 15 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Elektronische handtekening
  2. Eiser voert aan dat niet duidelijk is of de maatregel van bewaring is uitgereikt en zo ja, hoe laat dit is gebeurd. De elektronische handtekening is namelijk om 14:42 uur gezet, terwijl de maatregel om 16:00 uur is opgelegd en onmiddellijk zou zijn uitgereikt. Dit verschil in tijd is niet verklaarbaar en maakt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de maatregel daadwerkelijk aan eiser is uitgereikt. Eiser verwijst hierbij naar de afdelingsuitspraak van 12 juli 2018.1
  3. De rechtbank stelt ter zitting vast dat de elektronische handtekening om 14:42 uur is gezet door de maatregel te openen in een pdf-viewer en op de handtekening te klikken. Verweerder betwist dit ook verder niet.
  4. ECLI:NL:RVS:2018:2278
  5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel niet op de voorgeschreven wijze is uitgereikt. Een rechtsgeldige maatregel van bewaring komt ingevolge artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) pas tot stand als deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed. Het beroep van eiser op de afdelingsuitspraak van 12 juli 2018 gaat niet op, omdat het in die zaak ging om een maatregel die zonder handtekening was uitgereikt. Daarnaast wordt in diezelfde uitspraak uitgelegd waarom de handtekening op een maatregel van bewaring soms op een eerder tijdstip wordt gezet dan op het tijdstip van uitreiking. Het is namelijk mogelijk dat de maatregel en het proces-verbaal van het gehoor direct na terugkeer op de Brigade worden opgesteld. Vervolgens wordt met het plaatsen van de elektronische handtekening de procedure afgesloten. Daarna wordt een print van de maatregel gemaakt en keert de betreffende medewerker van de KMar terug naar het detentiecentrum om aldaar de - ondertekende - maatregel aan de vreemdeling uit te reiken.2 Dit kan dus het verschil in het tijdstip van ondertekening en uitreiking verklaren. Ook acht de rechtbank van belang dat eiser verder geen andere argumenten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de maatregel niet is uitgereikt of op een ander tijdstip is uitgereikt dan aangegeven. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Bewaringsgronden
  6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden3 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden4 vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
  7. De rechtbank stelt vast dat eiser alle bewaringsgronden betwist behalve de gronden onder 3b en 4a. Gelet daarop staat in ieder geval vast dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is ingereisd en zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden. In dit kader acht de rechtbank van belang dat eiser met de trein is ingereisd zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument. Hieruit valt het vermoeden af te leiden dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Daarnaast heeft eiser zich bij binnenkomst niet onmiddellijk gemeld bij de korpschef en heeft daarmee dus niet voldaan aan artikel 4.39 van het Vb. Een 2 ABRvS, 12 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2278, r.o. 4.
  8. 3 Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb. 4 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Dublinclaimant kan vanwege een significant risico op onderduiken, in bewaring worden gesteld als er sprake is van twee gronden, waarvan tenminste één zware grond.5 De zware grond onder 3b en de lichte grond onder 4a zijn dus voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze twee gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en de overige bewaringsgronden bespreekt de rechtbank daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.
  9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier. 5 Artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 januari 2021 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.