Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2021:15074
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/2809 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2020 in de zaak tussen [eiseres], geboren op [1992], van Nieuw-Zeelandse nationaliteit, eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).
Procesverloop Bij besluit van 15 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het wijzigen van het doel van eiseres haar verblijfsvergunning naar ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’ afgewezen en besloten dat de verblijfsvergunning voor het doel ‘Working Holiday’ niet wordt verlengd.
Bij besluit van 26 maart 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 17 augustus 2020 het bestreden besluit I ingetrokken en aangekondigd dat er een nieuw besluit zal worden genomen.
Bij besluit van 17 september 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een nieuw besluit genomen en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het beroep van eiseres tegen bestreden besluit I heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2020. Eiseres en referent hebben deelgenomen via Skype for Business. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen Bestreden besluit I 1. Bij brief van 17 augustus 2020 heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit I, zodat dit beroep wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Bestreden besluit II 2. Eiseres had een vergunning van 10 september 2018 tot en met 10 september 2019 voor het doel ‘Working Holiday’. Op 30 september 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het verblijfsdoel naar ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’ (referent). Deze aanvraag heeft verweerder afgewezen omdat eiseres en referent geen gezamenlijke huishouding voerden en referent niet over voldoende duurzame en zelfstandige middelen van bestaan beschikte gedurende anderhalf jaar.
Standpunten eiseres 4. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij is met referent naar Nieuw-Zeeland gereisd met de intentie om familie te bezoeken, maar door de coronamaatregelen konden zij niet terug en om te overleven hebben zij daar werk gezocht en gevonden. Het is altijd hun intentie geweest om gezamenlijk in Nederland te blijven wonen. Het enkele tijdelijk verlaten van Nederland betekent niet dat zij geen belang meer hebben bij de voortzetting van de procedure. Het gegeven dat eiseres en referent langer dan gepland en verwacht in het buitenland verblijven, is niet aan te merken als een verplaatsing van het hoofdverblijf naar het buitenland. Volgens eiseres is de juridische vraag of er een wil was om hun woonstede prijs te geven gelet op artikel 1:11 van het Burgerlijk Wetboek. Eiseres heeft na haar vertrek uit Nederland haar werkzaamheden als zelfstandige voortgezet. Ook is referent actief aan te het zoeken naar een baan in Nederland. Hij heeft gewerkt aan een ondernemingsplan en heeft gesolliciteerd bij het Stut Theater in Utrecht. Referent en eiseres hebben ook niet aangegeven dat zij hun leven niet meer in Nederland willen voortzetten. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte afgezien van het houden van een hoorzitting.
Oordeel van de rechtbank 5. Verweerder kan een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier afwijzen als een betrokkene zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Of dit laatste het geval is moet verweerder beoordelen aan de hand van feiten en omstandigheden van feitelijke aard. Er is in ieder geval sprake van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen.
Verder heeft eiseres toegelicht dat zij eerst van plan waren om op vakantie te gaan naar Nieuw-Zeeland. Doordat de moeder van eiseres wegens borstkanker met spoed een operatie moest ondergaan, kwam hun geplande verblijf in Nieuw-Zeeland goed uit omdat eiseres zo bij haar moeder kon zijn. Vervolgens hebben ze in januari 2020 het plan opgevat om niet op 26 januari 2020, zoals gepland, terug te vliegen naar Nederland maar naar [stad] te gaan. In [stad] had het stel meer kansen om zelf te voorzien in hun inkomsten en kon eiseres voorlopig nog in de buurt van haar moeder zijn, tot deze hersteld zou zijn. Bij de beslissing om naar [stad] te gaan en daar een werkvisum aan te vragen, speelde de omstandigheid dat de verblijfaanvraag van eiseres in oktober was afgewezen een rol.
Hun plan was vervolgens om in maart terug te keren naar Nederland. Vervolgens zijn eiseres en referent ingehaald door de feiten aangezien [stad] eind februari in een lockdown ging vanwege het coronavirus. De beslissing om na een tijdelijke versoepeling van de maatregelen niet terug te vliegen naar Nederland, was ingegeven door financiële motieven. Eiseres en referent hadden inmiddels niet genoeg middelen van bestaan meer om na een afwijzende beslissing van verweerder vliegtickets te betalen om Nederland te verlaten en naar Nieuw-Zeeland te gaan. Uit het initiële plan van het vertrek voor een vakantie en de daaropvolgende omstandigheden en beslissingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres en referent niet verwijtbaar langer dan zes maanden in het buitenland verblijven.
Conclusie 8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiseres wel procesbelang heeft bij de boordeling van haar aanvraag. Verweerder heeft het bezwaar daarom ten onrechte ongegrond verklaard.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie artikel 18, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet.
Zie paragraaf B1/6.2.1. van de Vreemdelingencirculaire.