← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:15136

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/6067 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2021 in de zaak tussen [verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M.P. Zijlstra), en het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder(gemachtigde: mr. R.D. Lotte). Als derde-partij neemt aan het geding deel: Twins Investments B.V., (gemachtigde: mr. J. Bouwman-Treffers). Procesverloop In het besluit van 6 april 2021 (primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsverzamelgebouw en het aanleggen van een in-/uitrit. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op 23 september 2021 een verweerschrift ingebracht. Derde-partij heeft op 28 september 2021 gereageerd op het verzoekschrift. Bij besluit van 18 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft bij brief van 23 november 2021 beroep ingesteld. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het verzoek om voorlopige voorziening dat is gedaan nadat bezwaar is gemaakt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. Overwegingen 1.

  1. De voorzieningenrechter doet, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting, omdat zij het verzoek kennelijk ongegrond acht. Daartoe wordt het volgende overwogen. 1.
  2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
  3. De voorzieningenrechter merkt in de eerste plaats op dat zij het betreurt dat niet eerder aan een behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening is toegekomen. 3.
  4. Verzoekster voert aan dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen, omdat een onomkeerbare situatie dreigt. Voorkomen dient te worden dat het pand volledig wordt gerealiseerd, terwijl niet wordt voldaan aan de parkeernormen, aldus verzoekster. 3.
  5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake is van een acute noodsituatie die op dit moment het treffen van een voorlopige voorziening kan rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat het beroep van verzoekster zich richt tegen de parkeernorm, terwijl door derde-partij is gesteld dat het gebouw pas in mei 2022 in gebruik zal worden genomen. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Dit betekent dat een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt.
  6. Nu er geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist, dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. A. J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.A. Linthout, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 november
  8. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.