RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.20232 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. A.M. van Eik), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: F. el Benaissati). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
- Eiseres heeft aan verweerder op 26 oktober 2020 een ingebrekestelling verstuurd, omdat zij niet tijdig na het nemen van een beschikking op de aanvraag van eiseres, de hoogte van de dwangsom hebben vastgesteld (het bestreden besluit). Er zijn sindsdien twee weken verstreken en verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. Bij besluit van 14 januari 2021 heeft verweerder aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- toegekend.
- In artikel 4:18 van de Awb staat dat een bestuursorgaan, binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, de hoogte van de dwangsom wordt vastgesteld. Dit betekent dat het bestreden besluit een ambtshalve besluit is. Dit blijkt ook uit de totstandkoming van deze bepaling
- Eiseres heeft tegen het uitblijven van het bestreden besluit een ingebrekestelling ingediend. Dit is mogelijk op grond van artikel 4:17 van de Awb, als het bestuursorgaan niet tijdig een beslissing neemt op een aanvraag. Uit de totstandkoming van artikel 4:17 blijkt dat dit niet ziet op besluiten die ambtshalve moeten worden genomen. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 april
- In die uitspraak heeft de Afdeling bepaald dat het nemen van een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17 van de Awb en hierdoor geen dwangsom kan verbeuren als er niet tijdig een dwangsombesluit wordt genomen.
- Dit betekent dat eiseres de ingebrekestelling van 26 oktober 2020 onterecht aan verweerder heeft gestuurd, omdat artikel 4:17 is uitgesloten. De ingebrekestelling kan niet worden gezien als een aanvraag en de reactie daarop is dus ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 17 februari
- Op grond van artikel 8:1 in combinatie met artikel 7:1 van de Awb staat alleen beroep open tegen een besluit in de zin van de Awb.
- De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.
- Voor een proceskosten vergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier.
- Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 15 2 ECLI:NL:RVS:2014:1290, 16 april 2014 3 ECLI:NL:RVS:2016:409, 17 februari 2016 De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl 03 februari 2021 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.