RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: AWB 20/7101 en AWB 20/7102 uitspraak van de (voorzieningen)rechter van 16 maart 2021 in de zaak tussen [eiser/verzoeker] , geboren op [1974] , met de Braziliaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (eiser), V-nummer: [V nummer] (gemachtigde: mr. M. Dorgelo), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. V.D. Schreuder). Procesverloop Bij besluit van 18 september 2020 (het besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd. Bij dit besluit heeft verweerder aan eiser tevens een inreisverbod voor de periode van twee jaar opgelegd. Eisers heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Eiser heeft verder de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021 op een hybride zitting. Eiser en zijn gemachtigde hebben deelgenomen via een beeldverbinding (Skype for Business). Eiser is bijgestaan door [A] , die voor hem vertaalde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring overgelegd waaruit volgt dat hij geen inkomen en vermogen heeft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen. Eiser wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van eiser niet is gebleken van relevante persoonlijke feiten of omstandigheden die een nadere motivering vereisen van het te nemen terugkeerbesluit dan wel de keuze om de vertrektermijn op 28 dagen te stellen. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat eiser ten tijde van het nemen van het besluit niet had onderbouwd dat zijn vrouw in Nederland een medische behandeling onderging. Ook heeft verweerder niet ten onrechte mogen aanvoeren dat het niet was gebleken dat eiser een feitelijke rol bij die behandeling had. Verder mocht verweerder aanvoeren dat het vertrek van eiser naar Brazilië niet in de weg stond aan de voortgang van die behandeling. Aldus heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat hij niet is overgegaan tot het vaststellen van een kortere vertrektermijn dan 28 dagen en dat hij niet heeft afgezien van het opleggen van het terugkeerbesluit.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.