← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:15615

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.3770 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. van Appia), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier). Procesverloop Bij besluit van 4 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Chbab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. De bewaringsgronden
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
  3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De zware gronden onder 3a en 3b zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Deze gronden kunnen de maatregel al dragen. Dublinclaim
  4. Eiser heeft aangevoerd dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat eiser een Dublinclaimant is en verweerder geen Dublinclaim heeft ingediend bij de landen waar eiser asiel heeft aangevraagd, zoals Duitsland, maar alleen in België.
  5. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het is in de eerste plaats aan verweerder om te bepalen welk traject wordt gevolgd. De onderhavige maatregel van bewaring is opgelegd nadat de claimmogelijkheid op België was komen te vervallen en is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (onrechtmatig verblijf). Over de claim bij de Belgische autoriteiten heeft de rechtbank al geoordeeld in haar uitspraak van 4 maart 2021 met zaaknummer NL21.
  6. De bewaring is toen rechtmatig geacht. Als eiser het daar niet mee eens was, had hij hoger beroep kunnen instellen tegen die uitspraak, maar dat heeft hij niet gedaan. Eén en ander maakt de thans opgelegde maatregel van bewaring niet onrechtmatig. Voortvarend handelen
  7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Verweerder gaat ervan uit dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft, maar er blijkt niet uit het dossier dat er contact is opgenomen met het Marokkaanse consulaat. 1 Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
  8. De rechtbank stelt vast dat er in totaal vier vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser, waarvan de laatste plaatsvond op 4 maart
  9. Daarnaast is er op 10 maart 2021 een LP aanvraag verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank overweegt dat verweerder afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet op voorhand te kennen hebben gegeven dat de LP aanvraag niet zou worden vertrekt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Zicht op uitzetting
  10. Eiser voert tot slot aan dat het zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt, omdat Marokko momenteel in verband met de coronamaatregelen niemand tot zijn grondgebied toelaat. Hierdoor zal de overdracht dus niet binnen redelijke termijn kunnen plaats vinden.
  11. De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting in de zaak van eiser niet ontbreekt. Het feit dat Marokko momenteel tijdelijk geen mensen toelaat, kan een mogelijk beletsel zijn bij de feitelijke uitzetting van eiser, maar dat is nu nog niet aan de orde. De LP aanvraag moet namelijk eerst nog worden afgewacht. Bovendien worden de gevolgen van coronamaatregelen volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) als tijdelijke belemmering aangemerkt.3 Er kan nu nog niet worden geoordeeld dat ze zo lang zullen duren, dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.
  12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier, en zal ook worden gepubliceerd op rechtspraak.nl. 3 Bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141). Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 29 maart 2021 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.