← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:15750

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21240 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.A.C.M. Prins ). Procesverloop Bij besluit van 27 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart

  1. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde heeft zich bij bericht van 24 maart 2021 afgemeld voor de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser is van Oezbeekse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]
  3. Eiser heeft op 19 juli 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
  4. Bij bericht van 16 maart 2021 heeft verweerder te kennen gegeven dat eiser per 25 januari 2021 met onbekende bestemming is vertrokken. In dit licht beoordeelt de rechtbank of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
  5. Als een vreemdeling, die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, wordt er in beginsel vanuit gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. 1
  6. Bij bericht van 24 maart 2021 heeft gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij geen reactie ontvangt op zijn berichten aan eiser. De gemachtigde van eiser maakt hieruit op dat hij niet langer met eiser in contact staat.
  7. De rechtbank concludeert hieruit dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en hiermee geen rechtens te beschermen belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet­ ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. 1 Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. 29 april 2021 Documentcode: [documentcode]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.