RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.6790 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. Ruijs), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel). Procesverloop Bij besluit van 3 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei
- Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Cheiboukh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt ter zitting dat hij op [geboortedatum 1] 2000 in Libië is geboren. Volgens de gegevens in het dossier van eiser is hij geboren op [geboortedatum 2] 1990 en is zijn nationaliteit niet bekend. De bewaringsgronden
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er voldoende gronden zijn om de maatregel te kunnen dragen. Zicht op overdracht
- Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring onvoldoende is toegelicht dat er zicht is op overdracht. Dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht, wordt niet genoemd. Dat maakt de maatregel onrechtmatig, aldus eiser.
- De rechtbank overweegt als volgt. In de maatregel van bewaring staat onder het kopje ‘Dublin claim’ vermeld dat uit Eurodac is gebleken dat eiser in drie andere lidstaten, waaronder Duitsland, eerder een asielaanvraag heeft gedaan. Dat de gegevens van eiser in Eurodac voorkomen, levert al een concreet aanknopingspunt op voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening.3 In de maatregel staat ook vermeld dat op basis van de beschikbare stukken kon worden vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Onder kopje ‘Landeninformatie; KOMPOL’ heeft verweerder nog toegelicht dat er voor Duitsland geen vertrekmoratorium geldt en dat zelfstandige en gedwongen terugkeer mogelijk is. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het zicht op overdracht voldoende heeft gemotiveerd in de maatregel. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. 3 Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:
- Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 mei 2021 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.