RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/4370 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2021 in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T.L. Schuitemaker). Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een maatregel betreffende plaatsing in een Extra Begeleiding en Toezicht Locatie (EBTL) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 23 januari 2019 is de zaak op een zitting behandeld. Bij uitspraak van 19 februari 2019 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 27 juni 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak van 19 februari 2019 vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen. Partijen hebben, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet aangegeven opnieuw op een zitting te willen worden gehoord. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten. Overwegingen De rechtbank had in de uitspraak van 19 februari 2019 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser naar haar oordeel geen procesbelang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, omdat de opgelegde maatregel inmiddels was opgeheven en eiser ook niet had verzocht om schadevergoeding. De ABRvS heeft in zijn uitspraak van 27 juni 2019 de uitspraak van de rechtbank vernietigd, omdat de rechtbank daarin niet heeft onderkend dat eiser wel heeft verzocht om schadevergoeding. Omdat de rechtbank niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling, heeft de ABRvS aanleiding gezien om de zaak naar de rechtbank terug te wijzen. Tot deze inhoudelijke beoordeling zal de rechtbank dan ook nu overgaan. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op 4 mei 2018 een incident heeft plaatsgevonden op de locatie [plaats] , waarbij eiser heeft gevochten met een andere bewoner. Ook op 16 april 2018, 12 maart 2018, 7 april 2017, 17 maart 2017 en 15 januari 2017 hebben zich incidenten voorgedaan van agressie en geweld tegen personen waarbij eiser betrokken was. Volgens verweerder zijn de aard en omvang van eisers gedraging zodanig ernstig dat dit plaatsing in een EBTL rechtvaardigt. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte in een EBTL is geplaatst. Hij betwist dat hij overlast heeft veroorzaakt en/of gezien kan worden als de bron van overlast. Eiser was niet de aanstichter van het incident maar juist het slachtoffer. Er heeft ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden. Door verweerder wordt verder enkel verwezen naar incidenten, maar daar zijn geen documenten van. Ten onrechte worden door verweerder ook oudere incidenten aangevoerd ter rechtvaardiging van de maatregel. Verweerder heeft in het ‘Maatregelenbeleid inclusief Reglement onthoudingen verstrekkingen’ (hierna: het Maatregelenbeleid) neergelegd in welke gevallen plaatsing in een EBTL plaatsvindt. Dat gebeurt, voor zover van belang, als er een incident plaatsvindt met grote impact of met zeer grote impact. Daarvan is sprake bij agressie tegen medebewoners en/of derden zoals discriminatie en gedrag met als doel een ander (ernstige) fysieke schade toe te brengen. Als dat gedrag is gericht tegen een COa-medewerker is dat een strafverzwarende omstandigheid. Dit geldt ook bij herhaling van ongewenst gedrag.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.