RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.4834 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 22 juli 2021 in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 5 maart 2020 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli
- Zowel eiser en zijn gemachtigde, als verweerder zijn, met kennisgeving, niet verschenen. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Verweerder heeft de rechtbank op 19 juli 2021 bericht dat eiser met 20 april 2021 met onbekende bestemming is vertrokken en dat niet is gebleken dat eiser zich weer bij het COA, de IND, het AVIM of Dienst Terugkeer en Vertrek heeft gemeld. Op 20 juli 2021 heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd telefonisch aan de griffier van de rechtbank medegedeeld dat hij geen contact meer heeft gehad met eiser. Gemachtigde heeft eiser nog wel per e-mail uitgenodigd voor deze zitting, maar hier heeft eiser ook niet op gereageerd. De gemachtigde geeft aan dat hij ook niet weet waar eiser verblijft. Op 21 juli 2021 heeft de gemachtigde een bericht in het digitale dossier geplaatst dat hij omdat hij geen contact meer heeft met eiser niet ter zitting zal verschijnen.
- Nu is gebleken dat eiser op 20 april 2021 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang, verweerder, noch zijn gemachtigde weet waar hij verblijft en hij geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden over de voortgang van de procedure, wordt conform vaste rechtspraak aangenomen dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming hier in Nederland. Aldus heeft eiser, ook volgens vaste rechtspraak1, geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
- Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:579). Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. De uitspraak is het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op 22 juli 2021 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.