← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:16080

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/9888 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2021 op het verzet van [opposant 1] , V-nummer [V-nummer] , [opposant 2] , V-nummer [V-nummer] , [opposant 3] , V-nummer [V-nummer] , allen met de Eritrese nationaliteit tezamen: opposanten, (gemachtigde: mr. S.J. Koolen), Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzet van opposanten tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 december

  1. In deze uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van opposanten tot vergoeding van hun proceskosten afgewezen. Opposanten hebben niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen
  2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 december 2020 het verzoek tot vergoeding van de proceskosten (bestaande uit de kosten voor rechtsbijstand en het deskundigenrapport van het DNA-onderzoek) afgewezen. Als reden heeft de rechtbank hierbij gegeven dat niet voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden om tot vergoeding van de proceskosten over te gaan. Volgens de rechtbank heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) in de beroepszaak van opposanten niet erkend dat het eerdere besluit van 12 september 2019 onrechtmatig was. De Staatssecretaris heeft dit eerdere besluit namelijk op 9 juli 2020 ingetrokken en de Staatssecretaris heeft op 11 augustus 2020 een nieuw besluit genomen op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek in het deskundigenrapport dat opposanten eerst tijdens de beroepsprocedure op 29 juni 2020 hebben ingebracht. Daarop hebben opposanten hun beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding. Omdat de Staatssecretaris de resultaten van het DNA-onderzoek niet bij het eerdere besluit van 12 september 2019 heeft kunnen betrekken kan dan niet geconcludeerd worden dat dit eerdere besluit onjuist was.
  3. Volgens opposanten is de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2020 niet juist. De rechtbank is volgens opposanten ten onrechte ervan uitgegaan dat het uitvoeren van het DNA-onderzoek en het inbrengen van het deskundigenrapport de verplichting is van opposanten. Dat is de verplichting van de Staatssecretaris, aldus opposanten. Opposanten wijzen daarbij op hun brieven van 25 februari 2020 en 17 april 2020, waar nooit een reactie op is gekomen.
  4. De rechtbank is het niet eens met opposanten. In de brieven van 25 februari 2020 en 17 april 2020 (lees: 15 april 2020) hebben opposanten de rechtbank verzocht in het kader van een definitieve geschilbeslechting te onderzoeken of de Staatssecretaris DNA-onderzoek moet aanbieden aan opposanten. In de tussentijd zijn opposanten zelf over gegaan tot het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek. De resultaten van dit DNA-onderzoek, vastgelegd in het deskundigenrapport, zijn voor de Staatssecretaris aanleiding geweest om het eerdere besluit in te trekken en een nieuw besluit te nemen. Daarmee is de Staatssecretaris echter niet teruggekomen van zijn standpunt dat het aan opposanten is om een DNA-onderzoek uit te laten voeren. Dit standpunt van de Staatssecretaris is bevestigd door de rechtbank in de uitspraak van 4 december
  5. Ook is dit standpunt in lijn met de rechtspraak. En in feite hebben opposanten de juistheid van dit standpunt ook erkend, aangezien zij hiernaar hebben gehandeld en hun beroep uiteindelijk hebben ingetrokken. De rechtbank ziet dan geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de uitspraak van 4 december 2020 onjuist is.
  6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2020 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de griffier is verhinderd deze rechter uitspraak te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep. Artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2299

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.