← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:16227

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/5446 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2021 in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1963, van Chinese nationaliteit, eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. D. Berben). Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 26 december 2019 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Bij besluit van 11 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli

  1. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf voor een bezoek aan haar in Nederland wonende schoonzoon (referent), dochter en kleinkind. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen, omdat de informatie die is verstrekt met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf niet betrouwbaar is en het voornemen om het grondgebied van de lidstaat vóór het verstrijken van het visum te verlaten niet kon worden vastgesteld. Het bestreden besluit
  2. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag op grond van een andere weigeringsgrond afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres door de uitbraak van het coronavirus wordt beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid. Verweerder gaat hiermee voorbij aan de weigeringsgronden uit het primaire besluit en de daartegen ingediende bezwaargronden. Standpunt eiseres
  3. Eiseres is het hier niet mee eens. Eiseres vindt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen rekening te houden met de omstandigheid dat de reisbeperkingen tijdelijk van aard zijn en dat de reisdata van eiseres mogelijk in een periode vielen dat deze al waren opgeheven. De ten tijde van het bestreden besluit geldende reisbeperkingen liepen op 15 juni 2020 af. Het was volgens eiseres niet duidelijk of en voor welke landen deze beperkingen verlengd zouden worden. Eiseres vindt dat verweerder had moeten wachten met het nemen van een besluit tot hier meer duidelijkheid over was. China is kort na het bestreden besluit op 30 juni 2020 op een lijst met landen geplaatst waarvan de inwoners niet meer als een risico voor de volksgezondheid worden aangemerkt. De beroepsgrond dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden heeft eiseres ter zitting ingetrokken. Beoordeling door de rechtbank
  4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de visumaanvraag terecht afgewezen. De rechtbank legt dit hieronder verder uit.
  5. Sinds de uitbraak van het coronavirus is het beperken van de reisbewegingen één van de uitgangspunten bij het beschermen van de volksgezondheid. De Europese Commissie heeft daarom op 19 maart 2020 een inreisverbod ingevoerd voor reizigers van buiten de Europese Unie. Verweerder weigert sindsdien een visum voor kort verblijf op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en sub a onder vi, van de Visumcode, tenzij een derdelander onder de uitzonderingen van het inreisverbod valt.
  6. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat COVID-19 kan worden aangemerkt als een epidemische ziekte als bedoeld in de Schengengrenscode en dat dit een dwingende weigeringsgrond betreft. Ook betwist eiseres niet dat zij niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën van het Europese inreisverbod waaraan wel toegang moet worden verleend. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig gehandeld door niet te wachten met het nemen van het bestreden besluit. Gelet op de aard van het coronavirus, het besmettingsgevaar en de ten tijde van het bestreden besluit getroffen maatregelen kon verweerder eiseres als een gevaar voor de volksgezondheid aanmerken. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het bestreden besluit bevoegd om deze afwijzingsgrond te hanteren. De omstandigheid dat verweerder ook op een later moment een besluit had kunnen nemen doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ten tijde van het bestreden besluit op 11 juni 2020 was onduidelijk hoe de situatie zich verder zou ontwikkelen. Verweerder had geen concrete aanwijzingen dat voor China de beperkingen in de nabije toekomst zouden worden opgeheven. Pas op 30 juni 2020 is dit bekend geworden. Naar het oordeel van de rechtbank kon en hoefde verweerder hier geen rekening mee te houden in de besluitvorming.
  7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 13 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.