RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.206 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Procesverloop Bij besluit van 18 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen én een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni
- Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Verweerder heeft het terugkeerbesluit en het inreisverbod gebaseerd op de zware gronden dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Verder heeft verweerder als lichte gronden in het besluit opgenomen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Eiser is het niet eens met het terugkeerbesluit en inreisverbod. Hij heeft aangevoerd dat hij het recht heeft op een vrije termijn van drie maanden waarbinnen hij in het Schengengebied kan blijven. Eiser had daarnaast na zijn inreis in Nederland drie dagen de tijd om zich te melden bij de Nederlandse autoriteiten. Verder heeft hij ontkend dat hij uitgebreide plannen heeft gehad om vanuit Nederland illegaal naar Groot-Brittannië te reizen, aldus eiser.
- Eiser heeft zich bij binnenkomst in Nederland niet op de daartoe voorgeschreven wijze gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Evenmin is uit objectieve gegevens, zoals een paspoort, gebleken wanneer eiser Nederland is ingereisd. De vrije termijn die hij als Albanees op grond van de Schengengrenscode zou kunnen hebben, is daarom niet ingegaan. Als gevolg daarvan is ook niet te bepalen vanaf wanneer de termijn van drie dagen om zich te melden bij de Nederlandse autoriteiten is ingegaan.
- De rechtbank stelt vast dat eiser is aangetroffen in een trailer op het afgesloten haventerrein van DFDS in Rotterdam. Op basis hiervan heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser heeft gepoogd om op illegale wijze uit te reizen naar Groot-Brittannië.
- Uit 3 en 4 volgt dat verweerder de zware gronden terecht aan de besluiten ten grondslag heeft gelegd. Deze zware gronden zijn al voldoende om aan te nemen dat wat betreft eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht. Verweerder heeft dan ook terecht aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen opgelegd. Hieruit vloeit voort dat verweerder een inreisverbod heeft kunnen opleggen voor de duur van twee jaar.
- Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P.M. Veerman-Timmer, griffier. De beslissing is uitgesproken en bekendgemaakt op 23 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.