← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:16290

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11065 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 15 juli 2021 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden. Overwegingen

  1. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]
  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
  3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist.
  5. Eiser voert aan dat er geen zicht op overdracht was vanaf het moment dat hij de coronatest op 12 juli 2021 had geweigerd. Vanaf dat moment was zijn inbewaringstelling dus onrechtmatig. Het is bovendien niet evenredig dat verweerder van hem verlangde dat hij zou meewerken aan deze test.
  6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft op 12 juli 2021 geweigerd om mee te werken aan de coronatest. Deze test was noodzakelijk voor zijn overdracht aan Italië. Als gevolg van deze weigering is de voor 13 juli 2021 geplande overdracht geannuleerd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het zicht op uitzetting of overdracht in beginsel niet ontbreekt in het geval een vreemdeling niet zijn actieve en volledige medewerking verleent aan zijn uitzetting. 3 De inbewaringstelling van eiser is er op gericht hem over te dragen aan Italië. Die maatregel maakt het verder mogelijk erop toe te zien dat eiser de van hem te verlangen inspanningen verricht met het oog op zijn overdracht. Dat eiser niet meewerkt aan een coronatest, maakt niet dat dit in beginsel gegeven zicht op overdracht is komen te vervallen en moet voor rekening van eiser blijven. Het meewerken aan een coronatest is in dit geval namelijk nodig voor de overdracht en van eiser mag worden verlangd dat hij hieraan zijn medewerking verleent. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet blijkt dat de test waaraan eiser moet meewerken verder gaat dan wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd binnen het bestek van de door hem niet nagekomen verplichting om Nederland zelfstandig te verlaten. Verder stelt verweerder terecht dat de regievoerder na de eerste weigering van eiser nog de mogelijkheid geboden moest worden om te onderzoeken of het mogelijk was een nieuwe overdracht te plannen en om eiser eventueel te overtuigen mee te werken aan een nieuwe test. Op 15 juli 2021 bleek volgens verweerder dat een nieuwe overdracht niet meer mogelijk was binnen de maximale bewaringstermijn van zes weken voor Dublinclaimanten. Verweerder heeft de maatregel van bewaring toen direct opgeheven. De rechtbank acht het tijdsverloop tussen het moment dat eiser de coronatest weigerde en het moment dat duidelijk werd dat een nieuwe overdracht niet meer plaats kon vinden, niet onnodig lang. Er is dus geen
  7. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. 3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en de uitspraak van 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894). aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring eerder dan op 15 juli 2021 onrechtmatig is geworden. De beroepsgrond slaagt niet.
  8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 12 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Mr. R.J.A. Schaaf T.R. Vos Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.