← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:16375

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.17189 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.M. Boesjes), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 31 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure ingewilligd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen

  1. Eiser heeft op 29 januari 2019 een asielaanvraag ingediend. Op 8 oktober 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op 9 januari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft op 17 februari 2020 dit beroep gegrond verklaard (NL20.685). In die uitspraak heeft de rechtbank bepaald dat verweerder binnen vier weken een beslissing moet nemen op de aanvraag van eiser en als hij dit niet doet, hij een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
  2. Verweerder heeft op 31 juli 2020 op de asielaanvraag van eiser beslist. Daarbij heeft verweerder de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom vastgesteld op € 1.200,-. Daarmee is eiser het niet eens. Volgens eiser is verweerder de volledige dwangsom van € 15.000,- verschuldigd.
  3. Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en de geschiedenis van de totstandkoming1 ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover verweerder in het bestreden besluit de hoogte van de verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld, bevat dit
  4. Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 51 besluit daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de ABRvS
  5. In zoverre is het bestreden besluit dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan alleen tegen een besluit beroep worden ingesteld. Dat betekent dat eiser niet bij de bestuursrechter kan procederen over de hoogte van de dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden. De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier. 2 ECLI:NL:RVS:2020:1152 De uitspraak is bekendgemaakt op 13 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.