RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.15421 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. B. Snoeij), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach). Procesverloop Bij besluit van 16 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 24 september 2021 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 11 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]
- Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiseres: 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden2 vermeld dat eiseres: 4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Eiseres heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist.
- De rechtbank overweegt als volgt. Op 21 september 2021 is een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor eiseres de beslissing op bezwaar van haar verzoek tot het verlenen van uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft daarom schadevergoeding aangeboden van de periode van 21 september 2021 tot 24 september 2021, de dag van de opheffing van de maatregel van bewaring.
- Eiseres stelt dat de bewaring van begin af aan al onrechtmatig is. Hiertoe voert zij aan dat de voorzieningenrechter volgens haar heeft bepaald dat er geen grond was om schorsende werking te onthouden aan het bezwaarschrift. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de maatregel van bewaring pas onrechtmatig is vanaf het moment van de toewijzing van de voorlopige voorziening.
- De rechtbank overweegt als volgt. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat “het besluit op het punt van het onthouden van schorsende werking aan een in te dienen verzoek om een voorlopige voorziening niet goed is gemotiveerd.” De voorzieningenrechter heeft dus niet bepaald dat er geen grond was om schorsende werking te onthouden aan het bezwaarschrift, zoals eiseres stelt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder bij het opleggen van de maatregel ervan uitgaan dat eiseres mocht worden uitgezet en dat er zicht op uitzetting was naar Nigeria. Pas na de toewijzing van de voorlopige voorziening op 21 september 2021 kon het voor verweerder duidelijk zijn dat eiseres niet uitzetbaar was tijdens de bezwaarfase. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht schadevergoeding aangeboden van de periode van 21 september 2021 tot 24 september
- Daarvóór was de maatregel van bewaring rechtmatig. De beroepsgrond slaagt niet.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding over de periode van 16 tot 21 september 2021 afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2 Artikel 5.1b, vierde lid, Vb Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 02 november 2021 en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl Mr. J.G. Nicholson M.A.W.M. Engels Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.