← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:16782

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/4657 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2021 in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. C.N. Noordzee), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Bij besluit van 28 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 10 februari 2021 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld om te reageren op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 19 januari

  1. Eiseres heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft de rechtbank verzocht om het beroep schriftelijk af te doen. Verweerder heeft daarmee ingestemd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
  2. Eiseres heeft de Filipijnse nationaliteit. Zij heeft een visum aangevraagd voor verblijf bij [A] (de referent). Het doel van de visumaanvraag is familiebezoek. Het primaire en bestreden besluit
  3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres in het primaire besluit afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, sub a, onder ii, van de Visumcode. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond.
  4. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering van het visum kennelijk ongegrond verklaard, omdat zij wordt beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid zoals omschreven in artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode, vanwege de uitbraak van het coronavirus. Verweerder geeft hiermee toepassing aan artikel 32, eerste lid, aanhef en sub a, onder vi, van de Visumcode. Verweerder heeft deze grondslag gebruikt omdat de Nederlandse overheid verschillende maatregelen heeft genomen om verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Zo heeft de Nederlandse overheid besloten vanaf 19 maart 2020 de grenzen te sluiten voor burgers van buiten de Europese Unie. Eiseres wordt door verweerder niet aangemerkt als een reiziger met een essentiële functie of aan wiens aanwezigheid een wezenlijk belang wordt gehecht. Verweerder is in het bestreden besluit niet meer ingegaan op de weigeringsgronden die in het primaire besluit zijn gebruikt en de bezwaargronden die daartegen zijn aangevoerd. Uitspraak meervoudige kamer
  5. Eiseres is voor de zitting in de gelegenheid gesteld een reactie uit te brengen over de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, van 19 januari
  6. In deze zaak heeft verweerder ook het bezwaar tegen de weigering van een visumaanvraag kennelijk ongegrond verklaard omdat de eiser in die zaak werd beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid zoals omschreven in artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode, vanwege de uitbraak van het coronavirus. De rechtbank heeft hierover geoordeeld dat verweerder het gevraagde visum op grond van artikel 32, eerste lid, sub a onder vi, van de Visumcode heeft kunnen weigeren. Standpunt eiseres
  7. Naar aanleiding van de hierboven genoemde uitspraak heeft eiseres aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig tot zijn besluit is gekomen door eiseres niet te horen in bezwaar. Eiseres heeft hierbij gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober
  8. Oordeel van de rechtbank
  9. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan is sprake als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Die situatie doet zich in dit geval voor. Er is sprake van het toepassen van de dwingende weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, aanhef en sub a, onder vi, van de Visumcode. Verweerder beschikte over alle relevante feiten om die weigeringsgrond toe te passen. Er was sprake van een gevaar voor de volksgezondheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode en er was een Europees inreisverbod als gevolg van de uitbraak van het coronavirus. Uit de aanvraag voor het visum en het bezwaarschrift was verder duidelijk dat eiseres geen reiziger met een essentiële functie was en dat er evenmin concrete aanknopingspunten waren dat eiseres onder één van de uitzonderingscategorieën van het Europese inreisverbod zou kunnen vallen. Een feitelijke toelichting door eiseres tijdens een gehoor zou gelet op de gegevens in het visumdossier dan ook niet tot een andersluidend besluit hebben geleid. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om eiseres te horen in bezwaar. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen dan de meervoudige kamer van deze zittingsplaats in de uitspraak van 19 januari
  10. Daarbij wordt nog overwogen dat ook tijdens de beroepsfase niet is gebleken dat eiseres wel onder één van de uitzonderingscategorieën zou vallen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie
  11. Het beroep is ongegrond.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de griffier is verhinderd deze de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open. ECLI:NL:RBDHA:2021:
  13. Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode. Zie voetnoot
  14. ECLI:NL:RBDHA:2020:11191.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.