RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL21.5889, NL21.5892 en NL21.5894 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1966, v-nummer [V-nummer 1] , eiseres 1, [eiseres 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, v-nummer [V-nummer 2] , eiseres 2, en [eiseres 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2004, v-nummer [V-nummer 3] , eiseres 3 mede namens de minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 4] 2006, v-nummer [V-nummer 4] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 5] 2007, v-nummer [V-nummer 5] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 6] 2008, v-nummer [V-nummer 6] , [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 7] 2009, v-nummer [V-nummer 7] , en [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 8] 2012, v-nummer [V-nummer 8] allen van Somalische nationaliteit, samen aangeduid als eisers (gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Remerie). Procesverloop In de besluiten van 15 februari 2017, 6 maart 2017 en 17 maart 2017 (primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij de heer [A] (referent) afgewezen. In de besluiten van 3 november 2017 (bestreden besluiten I) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Deze besluiten heeft verweerder op 16 augustus 2018 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eisers beslist. In de besluiten van 20 maart 2021 (bestreden besluiten II) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2021 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Griffierecht 1.1 Eisers hebben gesteld dat zij niet in staat zijn het verschuldigde griffierecht te voldoen in de zaken NL21.5892 en NL21.5894. Eisers hebben dit beroep op betalingsonmacht nader onderbouwd met stukken. 1.2 Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Hiervan kan een rechtzoekende worden vrijgesteld als hij aan de vereisten voldoet, genoemd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015.1 1.3 De rechtbank stelt aan de hand van de door eisers overgelegde stukken vast dat eisers niet aan de vereisten voldoen, nu het netto-inkomen van referent in de periode waarin het griffierecht was verschuldigd hoger was dan de toen geldende norm. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht daarom af. 1.4 Op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Awb is eenmaal griffierecht verschuldigd indien een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten is gericht. Samenhangende besluiten zijn besluiten die voortkomen uit één samenstel van feiten en omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van voldoende samenhang, nu de besluitvorming van de zaken in de kern gelijk is. Om die reden is er slechts eenmaal (te weten in zaak NL21.5889) griffierecht geheven. Feiten 2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 2.1 Referent is geboren op [geboortedatum 9] 1998. Referent heeft op 19 februari 2016, drie dagen nadat hij 18 jaar oud werd, een mvv-aanvraag nareis ingediend voor zijn gestelde moeder (eiseres 1), zus (eiseres 2) en de pleegkinderen van zijn moeder (eiseres 3 en de overige eisers). Aan referent is vervolgens op 25 oktober 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. 2.2 Verweerder heeft bij de primaire besluiten de aanvragen afgewezen, omdat de aanvragen prematuur waren ingediend omdat referent nog geen verblijfsvergunning had. Het bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard bij de bestreden besluiten I. Vervolgens heeft verweerder deze besluiten ingetrokken en bij de bestreden besluiten II om andere redenen het bezwaar ongegrond verklaard. De aanvraag van eiseres 1 3. Verweerder heeft overwogen dat met betrekking tot de identiteit van eiseres 1 bewijsnood wordt aangenomen. Verweerder heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht in de vorm van een hoorzitting, nu er geen indicatieve documenten ten aanzien van de identiteit en familierechtelijke relatie tussen referent en eiseres 1 zijn overgelegd. 1. ECLI:NL:CRVB:2015:282. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiseres 1 door middel van de hoorzitting niet vast is komen te staan. Verweerder heeft verder gesteld dat aan eiseres 1 geen nader onderzoek wordt aangeboden, nu haar aanvraag om andere redenen niet voor inwilliging in aanmerking komt. Verweerder heeft in dit kader gesteld dat op referent het meerderjarigenbeleid van toepassing is. Op grond van dit beleid heeft verweerder geconcludeerd dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres 1 en referent is verbroken. Referent voorziet immers in zijn eigen onderhoud en hij heeft een duurzame relatie gehad waaruit een kindje geboren zal worden. 4. Eiseres 1 voert aan dat verweerder op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie2 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State3 tot de conclusie komt dat referent een aanvraag voor nareis voor eiseres 1 heeft kunnen indienen, ook al was hij op dat moment meerderjarig. Referent wordt wat dat betreft dus aangemerkt als zijnde minderjarig. Verweerder heeft echter vervolgens de aanvraag beoordeeld aan de hand van het beleid voor meerderjarigen. Dat is niet juist. Verweerder heeft verder verwezen naar het beleid dat geldt sinds 1 april 2020, terwijl verweerder op grond van artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) het recht moet toepassen zoals dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Nu verweerder dat niet heeft gedaan kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Uit het beleid dat gold ten tijde van de aanvraag volgt niet dat verweerder het beleid moet toepassen dat hoort bij de leeftijd van de referent op het moment dat de contra-indicatie zich voordoet. 5. De rechtbank overweegt dat in het arrest A. en S.4 is uitgelegd hoe artikel 2, aanhef en onder f van de Gezinsherenigingsrichtlijn in het kader van nareis moet worden toegepast. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat indien een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en van indiening van zijn asielverzoek in die staat minder dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling. Referent was minderjarig ten tijde van de indiening van zijn asielverzoek. Referent moet daarom in het kader van de nareisprocedure worden aangemerkt als minderjarige. 6. Uit artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gezinslid om wiens overkomst wordt gevraagd op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland moet bestaan. 6.1 De rechtbank stelt vast dat partijen ter zitting desgevraagd hebben verklaard dat niet ter discussie staat dat het beleid zoals dat gold ten tijde van de indiening van de aanvraag, te weten 19 februari 2016, van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat dit beleid was neergelegd in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Uit dit beleid volgde dat de referent in Nederland moet aantonen dat het gezinslid om wiens overkomst wordt gevraagd op het moment van referents binnenkomst in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoorde en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. 2 HvJ EU, arrest van 12 april 2018, C-550/16 (A en S tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), ECLI:EU:C:2018:248. 3 ABRvS, uitspraken van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2914 en van 26 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:227. 4 Arrest van 12 april 2018, C-550/16 (A en S tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), ECLI:EU:C:2018:248. In het beleid was verder ten aanzien van minderjarige biologische kinderen opgenomen dat het uitgangspunt is dat de biologische band tussen de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.