← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:16964

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.12656 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop In het besluit van 8 juli 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 november 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. C.T.W. van Dijk, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. El Majtoubi. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek toe; schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoekster te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.496,-, te betalen door verweerder aan verzoekster. Overwegingen

  1. Verzoekster is geboren op [geboortedatum 1] 1996 en zij is afkomstig uit Palestina. Verzoekster heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning met als verblijfdoel ‘familie en gezin’ ingediend, om verblijf te krijgen bij haar echtgenoot, de heer [naam 1] (referent) en hun dochter [naam 2] . Referent en [naam 2] hebben de Nederlandse nationaliteit. [naam 2] is geboren op [geboortedatum 2]
  2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en zij niet voor vrijstelling van het zogenoemde mvv-vereiste in aanmerking komt. Daaraan legt verweerder ten grondslag dat de uitzetting van verzoekster niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verweerder is tussen verzoekster, referent en hun dochter sprake van familieleven, maar de belangenafweging valt volgens verweerder in het nadeel van verzoekster uit. Verweerder heeft verder beoordeeld of verzoekster rechtmatig verblijf heeft op grond van het arrest Chavez-Vilchez
  3. Verweerder meent dat verzoekster geen verblijf aan dit arrest kan ontlenen, nu zij niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden.
  4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 18 november 2021 op het standpunt gesteld dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat er geen concrete uitzettingsdatum bekend is.
  5. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van verweerder niet. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds mee dat er sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat tegen verzoekster een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dat nog steeds geldt.
  6. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het verzoekschrift van verzoekster inhoudelijk onweersproken is gebleven. Verweerder heeft niet gereageerd op de argumenten uit het verzoekschrift en is ook niet op de zitting verschenen om een standpunt toe te lichten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het belang van verzoekster om de bezwaarprocedure in Nederland te kunnen afwachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder.
  7. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit. Dit betekent dat verzoekster de beslissing op haar bezwaar hier in Nederland mag afwachten. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder verder in de door verzoekster gemaakte proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2021 door mr. C. Karman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier.
  8. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017,C-133/
  9. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 29 november 2021 Documentcode: [documentcode] Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.