RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.19216 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Stap), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 7 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw C. Haanstra. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen
- Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]
- Hij heeft op 26 juni 2021 in Nederland asiel aangevraagd. Vast staat dat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
- Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). vreemdelingen heeft onttrokken; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De zware grond 3b is feitelijk juist en dit is voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. De feitelijke juistheid van de lichte gronden 4c en 4d en het daaruit voortvloeiende risico op onttrekking zijn eveneens voldoende gemotiveerd. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Lichter middel
- De rechtbank overweegt ambtshalve dat verweerder niet hoefde te volstaan met een lichter middel. Uit de processtukken blijkt dat eiser eerder op 19 oktober 2021 met onbekende bestemming is vertrokken en zich niet aan de opgelegde meldplicht heeft gehouden. Hij is op 7 december 2021 weer bij de AVIM in beeld gekomen doordat hij is overgenomen en opgehouden aansluitend op een strafrechtelijke heenzending. Het risico bestaat dat eiser zich opnieuw zal onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen indien hem nu een meldplicht zou worden opgelegd. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikt hij niet over voldoende middelen van bestaan. Ook op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat eiser zich (opnieuw) aan het toezicht zal onttrekken. Eén en ander is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Voortvarend handelen
- Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 9 december 2021 en op 17 december 2021 zijn de vluchtgegevens bekend geworden. In het kader van eisers overdracht aan de Oostenrijkse autoriteiten is een vlucht naar Wenen gepland op 11 januari
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 23 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.