Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Leiden WS Rolnr.: 9023099 \ CV EXPL 21-494 26 mei 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de stichting Stichting Dunavie, gevestigd te Katwijk, eisende partij, gemachtigde: mr. M.M.J. Martinot, tegen [gedaagde partij] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. A. Stretton. Partijen worden aangeduid als “Dunavie” enerzijds en “ [gedaagde partij] ” anderzijds. 1Procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: de dagvaarding van 9 februari 2021 met producties; de conclusie van antwoord met producties. 1.2. Op 26 april 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Dunavie is [naam 1] , vergezeld door de gemachtigde, verschenen. [gedaagde partij] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Voorafgaand aan de zitting heeft Dunavie nog een nadere productie overgelegd. 2Feiten 2.1. De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten. 2.2. Sinds 2014 bestaat tussen Dunavie en [gedaagde partij] een huurovereenkomst betreffende de onroerende zaak aan de [adres 1] (verder: de woonruimte). Op de huurovereenkomst zijn de door Dunavie gehanteerde Algemene Huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte (verder: Algemene Huurvoorwaarden) van toepassing. 2.3. Artikel 8 van de Algemene Huurvoorwaarden luidt: “Gebruik van het gehuurde (…) 8.2 Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte voor hem en de leden van zijn huishouden bewonen en er zijn hoofdverblijf hebben. Gebruik van het gehuurde als tweede woning is niet toegestaan. (…) 8.4 Het is huurder uitsluitend met voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder toegestaan het gehuurde gedeeltelijk onder te verhuren of gedeeltelijk aan derden in gebruik te geven. Een verzoek tot toestemming dient schriftelijk te worden gedaan, onder vermelding van de naam van de beoogde onderhuurder, de beoogde onderhuurprijs en de beoogde ingangsdatum van de onderhuurovereenkomst. 8.5 Indien huurder zonder toestemming het gehuurde geheel of gedeeltelijk heeft onderverhuurd, aan derde(
- n)in gebruik heeft gegeven of de huur aan derde(
- n)heeft afgestaan, is hij aan verhuurder een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare boete verschuldigd van € 50,- per dag of gedeelte van een dag gedurende welke de huurder in strijd met dit verbod handelt.” 2.4. De ex-vrouw van [gedaagde partij] , mevrouw [naam 2] , woont in [plaats 1] aan [adres 2] . 2.5. Op 8 november 2016 is [naam 3] van de Stichting Bestrijding Woonfraude Hennepteelt (SBWH) naar de woonruimte gegaan. Daar waren twee Poolse dames en een kind aanwezig. De ene dame, [naam 4] , verklaarde volgens [naam 3] als volgt: “I live here with boyfriend. Boyfriend work now. Boyfriend here at (met vingers gebaren) 8 hours. Boyfriend pay for live here.” De andere dame, [naam 5] , verklaarde volgens [naam 3] als volgt: “my room here, boyfriend comes here at 8 or 8.30. Talk to him. I don’t know how much he pays for room.” [naam 3] stelt in zijn verslag voorts vast dat “beide kamers waren voorzien van een 2 persoonsbed en kledingkast. In beide kamers stond een televisie en maakte allebei een armoedige indruk als inrichting”. 2.6. Op 17 november 2016 heeft de heer [naam 6] , buurman van [gedaagde partij] , onder meer het volgende verklaard: (…)“Ik woon op nummer [nummer 1] en zie mijn buurman de heer [gedaagde partij] zelden tot nooit. (…) Volgens mij wonen er alleen Poolse mensen en verhuurt hij zijn woning onder. Ik woon hier nu 4 à 5 maanden. [gedaagde partij] melde mij dat de Poolse mensen visite waren en dat hij alleen ’s-nachts pas thuis is. Opvallend is dat overdag altijd zijn “visite” er is. Ik heb verder geen contact met de Poolse buren.” 2.7. Op 10 februari 2020 zijn buurtbeheerder [naam 7] en een schilder bij de woonruimte geweest. De buurtbeheerder schrijft in zijn verslag: “(…) Ik heb de hoofdhuurder gebeld en gevraagd of hij nog in de buurt was en aangegeven dat we ook de binnenkant komen doen en dat hij mee moet werken. In de tussentijd ben ik naar boven gegaan en heb aangebeld. Een andere man deed open, pools en engels sprekend. Die vertelde mij dat hij terugging naar polen, omdat zijn zoon ziek is. Ik vroeg hem of de donkere man de hoofdhuurder is. Hij zei nee dat is [naam 8] uit [plaats 2] . (…) Hij liet ons wel binnen en liet de schilder in de ruimte waar het raam gedaan moest worden. In de ruimte was het goed werkbaar. Wat mij opviel is dat er een slot op de deur zit. (…)” 2.8. Op 25 mei 2020 heeft Dunavie Adviesburo Veerkracht (verder: Veerkracht) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de bewoning van de woonruimte omdat de woning aan Polen zou worden onderverhuurd. Op 15 juni 2020 is de bewoner van huisnummer [nummer 2] , [naam 9] (directe buur) door een medewerker van Veerkracht gehoord. [naam 9] heeft onder meer verklaard: “(…) U vraagt mij naar de bewoning van nummer [adres 1] . Daar wonen volgens mij Poolse mensen.(…) Er wonen op dit moment 2 a 3 mensen. Minimaal 1 man en vrouw en soms 2 vrouwen. Wij hebben geen overlast van hen. Toen mijn man hier kwam wonen woonde er andere mensen. Ook van Poolse afkomst. Alleen een man en vrouw. Die is toen weggegaan en toen alleen een vrouw. Zover wij weten hebben er voornamelijk andere mensen gewoond. In het begin woonde er een Afrikaanse man. Die heb ik een paar keer gezien. Die Afrikaanse man heb ik al zeker 5 jaar niet meer gezien. De woning wordt bewoond door Polen. (…)” 2.9. Op 15 juni 2020 is ook de bewoner van huisnummer [nummer 3] , mevrouw [naam 10] , door een medewerker van Veerkracht gehoord. [naam 10] heeft onder meer verklaard: “(…) U vraagt mij naar de bewoning van nummer [adres 1] . Daar hoort een grote Antilliaanse man te wonen. Zijn naam weet ik niet. Hij was gescheiden van zijn vrouw in [plaats 1] . Hij is hier ongeveer 6 jaar komen wonen. Volgens mij heeft hij hier nooit gewoond. In het begin woonde er een Nederlandse man en later zijn er Polen komen wonen. De woning is altijd onderverhuurd maar voornamelijk aan Polen. (…) De originele huurder zit in Leiden bij zijn vrouw. (…)” 2.10. Op 15 juni 2020 is ook de bewoner van huisnummer [nummer 4] , de heer [naam 11] , door een medewerker van Veerkracht gehoord. [naam 11] heeft onder meer verklaard: “(…) U vraagt mij naar de bewoning van nummer [adres 1] . Voor zover ik weet wonen er Polen. Ze spreken Engels. Ze groeten mij netjes. Als ze langs komen lopen dan praten ze Pools met elkaar. Volgens mij wonen er nu 3 Polen. Twee jongens en een meisje tussen de 20 a 30 jaar oud. Ze hebben een klein hondje(…) Ik heb horen zeggen dat de originele huurder een negroïde man is. Die heb ik in de periode dat ik hier woon 2 keer gezien. (…)” 2.11. Op 23 juni 2020 is de bewoner van huisnummer [nummer 1] (directe buur), de heer [naam 6] , door een medewerker van Veerkracht gehoord. [naam 6] heeft onder meer verklaard: “(…) Ik woon hier sinds 4 jaar. Ik woonde hier toen alleen. Ik woon nu samen met mijn vriendin. Op nummer [adres 1] woonde een bruine man toen ik er kwam wonen. Ik heb hem 2 jaar geleden voor het laatst gezien. Mijn vriendin heeft hem gisteren gezien. Heel af en toe komt hij langs. We zien constant andere mensen in de woning. De woning wordt al zeker 4 jaar onderverhuurd aan Polen. Ik hou niet meer bij wie er nu wel of niet zit. (…) De originele huurder woont er al 4 jaar niet. Hij verblijft in [plaats 1] bij zijn vriendin. (…)” 2.12. Op 22 augustus 2020 heeft een anonieme bewoner van de [straatnaam] in [plaats 1] onder meer het volgende verklaard: “(…) Wij wonen hier 36 jaar. De mensen op nummer [nummer 5] wonen daar al meerdere jaren. Daar is eerst een vrouw komen wonen met 2 kinderen. 1 daarvan is overleden. Het andere kind, haar dochter, woont er gewoon. De vrouw heet [naam 12] . De vader van de kinderen woont hier al zeker 1,5 jaar. Wij weten dat hij in [woonplaats] woonde. (…) Er wonen nu dus een man, een vrouw en een dochter. Wij willen beide niet opgeroepen worden als getuigen. (…)” Een andere bewoner van deze straat verklaarde op die dag onder meer: “(…) Ik woon hier 35 jaar. U vraagt mij naar de bewoning van nummer [nummer 5] . Daar woont een Nederlandse vrouw en Ghanese man. Ze hebben ook een dochter die er woont. Ze wonen hier zeker een jaar of 5. (…)” 2.13. Uit het rapport van Veerkracht van 7 september 2020 blijkt dat medewerkers van Veerkracht de woonruimte zeven keer hebben bezocht en dat er telkens niet werd opengedaan. Ook was de woonruimte telkens volledig geblindeerd. 2.14. Met ingang van 12 oktober 2020 is in het BRP mevrouw [naam 13] ingeschreven op het adres [adres 1] . 2.15. Op de Facebookpagina van [gedaagde partij] staat vermeld dat hij uit Voorburg komt en in Leiden woont. 2.16. Bij brief van 10 december 2020 is [gedaagde partij] door Dunavie gevraagd om zelf de huur op te zeggen. Bij brief van 8 januari 2021 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] geantwoord dat [gedaagde partij] altijd zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woonruimte en dat sinds enkele maanden de partner van [gedaagde partij] , mevrouw [naam 13] , bij hem is komen wonen. 2.17. Op 8 maart 2021 heeft [naam 13] het volgende verklaard: “I, the undersignet, consent to the processing of my data and I declare that I am in a partnership with [gedaagde partij] and that we run a joint household.” 2.18. Op 21 maart 2021 heeft [naam 2] onder meer het volgende verklaard: “(…) DHR [gedaagde partij] woont niet bij mij, wel is hij 1 week in juli 2018 op mijn adres geweest. i.v.m. de moord op onze 28 jarige zoon [naam 14] , Zoals nog meer familie van onze zoon, er moest nogal wat geregeld worden. waar toe ik niet in staat was. even duidelijk hij woont niet bij mij. (…) De buren naast mij daar is al jaaren onenigheid mee.. Die dus getuigen zijn. [gedaagde partij] woont niet bij mij. hij woont met zijn vriendin op zijn eigen adres.” 3Vordering 3.1. Dunavie vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: a de ontbinding van de huurovereenkomst; b veroordeling van [gedaagde partij] tot: ontruiming van het gehuurde; betaling van een bedrag van € 1.312,85, vermeerderd met de wettelijke rente; betaling van een bedrag van € 11.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente; betaling van de kosten van de procedure. 3.2. Dunavie legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, en ook de navolgende stellingen. [gedaagde partij] stond tot begin 2014 bij zijn ex-partner op [adres 2] in [plaats 1] ingeschreven en daarna op het adres van de woonruime in [woonplaats] . In 2015 heeft ook Pools klussenbedrijf Kumor op het adres van de woonruimte ingeschreven gestaan. [gedaagde partij] heeft niet zijn hoofdverblijf in de woonruimte terwijl hij dat op grond van artikel 8.2 van de Algemene Huurvoorwaarden wel is verplicht. Ook verhuurt [gedaagde partij] in strijd met artikel 8.4 van de Algemene Huurvoorwaarden onder. Dat laatste gebeurde al in 2016. Uit het bezoek van de schilder in februari 2020 volgt ook dat [gedaagde partij] onderverhuurt aan Polen. Dat blijkt ook uit de verklaringen die door de diverse omwonenden van de woonruimte zijn afgelegd. De omwonenden uit [adres 2] in [plaats 1] verklaren juist dat [gedaagde partij] daar woont met zijn ex-partner en dochter. Dunavie wijst verder op de informatie op Facebook waarop Leiden als woonplaats wordt vermeld. 4Verweer 4.1. [gedaagde partij] stelt dat hij altijd zijn hoofdverblijf in de woonruimte heeft gehad en dat hij sinds september 2020 samenwoont met zijn vriendin [naam 13] . Omdat de zoon van [gedaagde partij] in 2018 om het leven is gekomen, heeft [gedaagde partij] veel contact gehad met zijn ex-partner. [gedaagde partij] was vaak bij haar in Leiden maar woonde daar niet. De buren verklaren in het nadeel van [gedaagde partij] omdat de buren hem weg willen hebben. [naam 6] heeft een hekel aan [gedaagde partij] en zet andere huurders tegen hem op. Het is volgens [gedaagde partij] een complot. Tijdens het bezoek van de schilder gedroeg de beheerder zich zo onbeschoft dat [gedaagde partij] hem niet wilde toelaten. [gedaagde partij] heeft veel Poolse vrienden. Zijn huidige partner woonde ook voor september 2020 al in het huis. [gedaagde partij] is ’s-avonds laat pas thuis. De hele zaak levert veel spanningsklachten op. Als [gedaagde partij] ongelijk krijgt, wordt hij dakloos en zijn vriendin ook. [gedaagde partij] leeft van een bijstandsuitkering. 5De beoordeling 5.1. Op grond van artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Op grond van artikel 7:231 lid 1 BW kan de ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot (onder meer) woonruimten slechts geschieden door de rechter. 5.2. Dunavie stelt dat [gedaagde partij] op twee punten tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verbintenissen. De eerste verbintenis die [gedaagde partij] niet zou zijn nagekomen is het verbod om de woonruimte zonder toestemming van de verhuurder onder te verhuren dan wel in gebruik te geven. Dit staat in artikel 8.4 van de Algemene Huurvoorwaarden waarin de onderverhuur (dan wel het in gebruik geven) van zowel het geheel als een gedeelte van de woonruimte zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder is verboden. De tweede verbintenis die [gedaagde partij] niet zou zijn nagekomen is de verplichting om in de woonruimte zijn hoofdverblijf te hebben. Dit staat in artikel 8.2 van de Algemene Huurvoorwaarden. 5.3. De kantonrechter oordeelt dat door Dunavie in voldoende mate aannemelijk is gemaakt dat [gedaagde partij] de woonruimte zonder toestemming van Dunavie heeft onderverhuurd (dan wel in gebruik heeft gegeven) en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 7:244 van het BW en artikel 8.4 van de Algemene Huurvoorwaarden. Daarbij is doorslaggevend dat [gedaagde partij] de feitelijke en gedetailleerde uiteenzetting zoals weergegeven in het rapport van [naam 3] van SBWH (integraal opgenomen in de dagvaarding pagina 6 t/m 9) niet of onvoldoende heeft weersproken. Uit dat rapport volgt dat [naam 3] op 8 november 2016 twee Poolse dames in de woonruimte heeft aangetroffen die beiden verklaarden dat hun partners huur betaalden voor de woonruimte. Daarmee staat vast dat er huur is betaald voor het verblijf in de woonruimte. Ook blijkt uit dit rapport van [naam 3] dat de woonruimte was onderverdeeld in twee kamers en dat beide kamers beschikten over een tweepersoonsbed en TV. Uit het verslag van de buurtbeheerder blijkt verder dat er een slot op ten minste een van de kamers zit. Deze door Dunavie gestelde, en door [gedaagde partij] niet dan wel onvoldoende betwiste, feiten wijzen ook op onderverhuur dan wel het in gebruik geven van de woonruimte. [gedaagde partij] heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat de twee kamers beide beschikken over een tweepersoonsbed en een TV en dat ten minste één kamer beschikt over een slot op de deur. Naast het rapport van SBWH en het verslag van de buurtbeheerder zijn er verklaringen van de directe buren [naam 9] en [naam 6] die eenduidig verklaren dat de woning al jaren door Polen wordt bewoond. Ook [naam 10] en [naam 11] bevestigen de bewoning door Polen. Dat dit alles gratis wordt toegestaan door [gedaagde partij] acht de kantonrechter ongeloofwaardig en overigens is ook het (gedeeltelijk) in gebruik geven zonder toestemming van de Dunavie niet toegestaan. De verklaringen van de omwonenden laten een beeld zien van jarenlang gebruik door Polen in wisselende samenstelling. Het had op de weg van [gedaagde partij] gelegen om (meer) verklaringen van zijn “vrienden” te overleggen waaruit blijkt dat zij al die jaren gratis in de woonruimte mochten verblijven. Uit het rapport van Veerkracht blijkt dat de woonruimte volledig geblindeerd is. Ook die omstandigheid wijst op onderverhuur. Tot slot vermeldt [gedaagde partij] zelf op zijn Facebookpagina dat hij in Leiden woonachtig is en zijn er door de verklaringen van omwonenden van [naam 2] sterke aanwijzingen dat [gedaagde partij] daar woont. 5.4. De verklaringen van de ex-partner, mevrouw [naam 2], en de gestelde huidige vriendin van [gedaagde partij] , mevrouw [naam 13] , werpen geen ander licht op de zaak. Die verklaringen zien met name op het al dan niet hebben van hoofdverblijf in de woonruimte. De tekortkoming in de nakoming bestaat uit het onderverhuren dan wel in gebruik geven van de woonruimte en is met de hierboven omschreven feiten en omstandigheden in voldoende mate vast komen te staan. Dat [gedaagde partij] (ook) zijn hoofdverblijf elders heeft, hoeft dus niet meer te worden vastgesteld. Voorts is de stelling dat omwonenden voor een complot tegen [gedaagde partij] zorgen op geen enkele wijze onderbouwd. 5.5. De conclusie luidt dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis en dat deze tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst tot gevolg heeft. Voor zover [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt, oordeelt de kantonrechter als volgt. Het is aan [gedaagde partij] om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan dit beroep op de uitzondering op de hoofdregel kan slagen. [gedaagde partij] heeft allereerst gesteld dat hij en zijn vriendin dakloos worden. Dit gevolg is ernstig maar maakt niet dat de tekortkoming zelf een bijzondere aard heeft dan wel een geringe betekenis. Voorts weegt dit belang niet op tegen het belang dat Dunavie heeft bij het handhaven van het verbod tot onderverhuur van een sociale huurwoning. De omstandigheid dat [gedaagde partij] een bijstandsuitkering heeft, leidt ook niet tot afwijzing van de vordering. Dat [gedaagde partij] spanningsklachten ondervindt, maakt niet dat de ontbinding niet kan worden uitgesproken. Beide omstandigheden zien niet op de bijzondere aard van de tekortkoming of de geringe betekenis daarvan. [gedaagde partij] had zich al met al eerder kunnen bedenken dat het onderverhuren van zijn woonruimte tot problemen zou kunnen leiden. 5.6. Aan [gedaagde partij] zal in verband met het Coronavirus een ontruimingstermijn van twee weken worden gegeven. 5.7. Het rapport van Veerkracht heeft bijgedragen aan het bewijs van de stelling dat [gedaagde partij] de woonruimte zonder toestemming van de verhuurder heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven. De kosten van het onderzoek bedroegen € 1.312,85 en de kantonrechter zal [gedaagde partij] veroordelen tot vergoeding van deze kosten. 5.8. Ten aanzien van de gevorderde contractuele boete overweegt de kantonrechter als volgt. Deze contractuele boete wordt gevorderd op grond van artikel 8.5 van de Algemene Huurvoorwaarden. Op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie te Luxemburg (HvJ EG arrest van 4 juni 2009, C-243/08, Panon) moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of een beding als het onderhavige in consumentenovereenkomsten vanwege zijn onredelijk bezwarend karakter nietig is. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 30 mei 2013 (Woonrecht 2013,80) geoordeeld dat de Richtlijn 93/13 EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna de Richtlijn) ook van toepassing is op een huurovereenkomst voor woonruimte, gesloten tussen een verhuurder, die handelt in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit en een huurder die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen, nu in de considerans deze overeenkomsten niet zijn uitgesloten en dit recht doet aan de door de Richtlijn beoogde bescherming van de consument. [gedaagde partij] is een dergelijke huurder. Op grond van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen als oneerlijk worden aangemerkt bedingen die zijn opgenomen in de als bijlage bij deze Richtlijn gevoegde indicatieve lijst (de blauwe lijst). Tot die bedingen behoort het beding (artikel 1 aanhef en onder
- e)dat tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen. In het onderhavige geval is in artikel 8.5 van de Algemene Huurvoorwaarden geen limiet gesteld aan de te verbeuren boete, waardoor de boete kan oplopen tot een bedrag dat in geen redelijke verhouding meer staat tot de geleden schade. Van matiging door de kantonrechter kan ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van 30 mei 2013 C-488/11, Asbeek Brusse c.s. versus Jahani geen sprake zijn. Dit betekent dat op grond van artikel 3:40 lid 2 BW juncto artikel 6:233 aanhef en onder a BW het boetebeding buiten toepassing moet blijven en zal worden vernietigd. Dit heeft tot gevolg dat de door Dunavie gevorderde boete van € 11.200,00 wordt afgewezen. 5.9. [gedaagde partij] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure veroordeeld. Omdat de vordering die ziet op de contractuele boete wordt afgewezen, zal slechts een bedrag van € 507,00 als vergoeding voor betaald griffierecht worden toegewezen. De rest van het door Dunavie betaalde griffierecht zal voor rekening van Dunavie blijven. Beslissing De kantonrechter: - ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de [adres 1] ; - veroordeelt [gedaagde partij] om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met al wie en al wat zich daarin van de zijde van [gedaagde partij] mocht bevinden te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Dunavie te stellen; - veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na heden aan Dunavie tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.312,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2021; - vernietigt artikel 8.5 van de Algemene Huurvoorwaarden; veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van de procedure, tot hiertoe aan de zijde van Dunavie vastgesteld op € 966,81, waaronder begrepen een bedrag van € 374,00, als het aan de gemachtigde van Dunavie toekomende salaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. W.A. Swildens en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2021.