RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 20/6026, SGR 20/6027, SGR 20/6028, SGR 20/6030, SGR 20/6032, SGR 20/6041, SGR 20/6042, SGR 20/6043 en SGR 20/6055 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2021 op het verzet van drs. [Opposant] , te [woonplaats] , opposant, tegen de uitspraak van de rechtbank in zijn zaken tegen het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD), (gemachtigden: mr. D.F. Rosenbaum en S. Bakker) Procesverloop Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig door verweerder nemen van beschikkingen met een beslissing over de verschuldigdheid en de hoogte van dwangsommen. Bij uitspraak van 1 oktober 2020 (de buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari
- Opposant is verschenen. Het dagelijks bestuur van de ISD heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van beschikkingen door het dagelijks bestuur over de verschuldigdheid en de hoogte van dwangsommen, zonder het dagelijks bestuur eerst een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb toe te zenden.
- In deze verzetzaak is op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb uitsluitend aan de orde of de rechtbank terecht de zaak niet op een zitting heeft behandeld. De rechtbank kan het beroep pas inhoudelijk behandelen als het verzet gegrond is.
- Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de situatie dat van opposant redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij het dagelijks bestuur in gebreke stelt, zoals bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb, zich hier niet voordoet. Opposant mag zich vanwege een contactbeperking niet tot het dagelijks bestuur wenden, dus kan niet van hem worden verwacht dat hij het dagelijks bestuur in gebreke stelt. 3.
- Naar het oordeel van de rechtbank dient de vraag of de rechtbank in haar uitspraak van 1 oktober 2020 terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan, bevestigend te worden beantwoord. In verzet zijn geen gronden aangevoerd die meebrengen dat het oordeel in voormelde uitspraak – dat over de uitkomst in redelijkheid geen twijfel mogelijk is – niet juist is. Opposant heeft geen nieuwe gronden aangevoerd die niet al waren aangevoerd in het beroepschrift van 16 september 2020, waarop de rechtbank in haar uitspraak van 1 oktober 2020 al is ingegaan. De rechtbank heeft in de uitspraak van 1 oktober 2020 een oordeel gegeven over de vraag of een situatie zoals bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb zich voordoet. Volgens de rechtbank is dat niet het geval. De omstandigheid dat opposant zich vanwege een contactbeperking niet tot het dagelijks bestuur mag wenden voor het indienen van een ingebrekestelling, komt voor zijn rekening en risico. Een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb doet zich hier niet voor. 3.
- Het betoog van opposant slaagt niet.
- Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBDHA:2020:9582.