RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Dordrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL20.21360, NL20.21362, NL20.21364 en NL20.21366 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam eiser] , eiser, V-nummer: [nummer 1] [naam eiseres 1] , eiseres 1, V-nummer: [nummer 2] [naam eiseres 2] , eiseres 2, V-nummer: [nummer 3] en [naam eiseres 3] , eiseres 3, V-nummer: [nummer 4] (hierna tezamen: eisers) (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld). Procesverloop Bij besluiten van 8 december 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eisers vormen een gezin (vader (eiser), moeder (eiseres 1) en twee dochters (eiseres 2 en eiseres 3). Zij stellen allen de Afghaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum eiser] , [geboortedatum eiseres 1] , [geboortedatum eiseres 2] en [geboortedatum eiseres 3] . 2. Op 26 juli 2017 hebben eisers asielaanvragen ingediend. Zij hebben aan deze asielaanvragen – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat zij in Afghanistan problemen hebben ondervonden naar aanleiding van afgewezen huwelijksaanzoeken waarbij hun dochter, respectievelijk zus, [naam 2] met haar schoonfamilie is vermoord. Eisers hebben de hulp ingeroepen van de Afghaanse autoriteiten, maar dat leidde tot meer problemen en uiteindelijk zijn zij daarom naar Nederland gevlucht. Eiseres 2 en eiseres 3 stellen dat zij ook vanwege hun westerse levensstijl niet terug kunnen naar Afghanistan. Bij besluiten van 24 mei 2018 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 21 augustus 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, de beroepen tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep tegen die uitspraak gegrond verklaard. Zowel de uitspraak van 21 augustus 2018 als de besluiten van 24 mei 2018 zijn door de Afdeling vernietigd. De Afdeling heeft verweerder onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3735) opgedragen de westerse levensstijl van eiseres 2 en eiseres 3 opnieuw te onderzoeken en te beoordelen. De Afdeling heeft verweerder opgedragen om daarbij wat in de genoemde uitspraak van 21 november 2018 onder 5.10-5.12 en onder 8.7 over de onderzoeksplicht en de motiveringsplicht van verweerder in algemene zin is overwogen, in acht te nemen. 3. Op 8 december 2020 heeft verweerder in de bestreden besluiten opnieuw beslist op de asielaanvragen van eisers. 3.1. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser en van eiseressen 2 en 3 de volgende relevante elementen: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - de afgewezen huwelijksaanzoeken van een conservatieve familie aan [naam 2] en [naam eiseres 2] (eiseres 2) en de daaruit voortvloeiende problemen; - verwestering van eiseres 2 en eiseres 3. 3.2. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres 1 de volgende relevante elementen: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - haar werkzaamheden als docent; - de afgewezen huwelijksaanzoeken van een conservatieve familie aan haar dochters [naam 2] en eiseres 2 en de daaruit voortvloeiende problemen; - verwestering van eiseres 2 en eiseres 3. 3.3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Ook vindt verweerder de werkzaamheden van eiseres 1 als docent geloofwaardig. De afgewezen huwelijksaanzoeken van een conservatieve familie aan [naam 2] en eiseres 2 en de gestelde verwestering van eiseres 2 en eiseres 3 vindt verweerder ongeloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers daarom afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Ook wordt aan eisers geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw in samenhang bezien met artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Beoordeling Verwestering 4. Eiseres 2 en eiseres 3 stellen dat verweerder een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd voor de beoordeling van hun gestelde verwestering. Het beoordelingskader zoals dat voortvloeit uit de onder 2. genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018 en zoals dat is opgenomen in het beleid van verweerder is niet in overeenstemming met de Definitierichtlijn en het Vluchtelingenverdrag. Daarin wordt namelijk niet vereist dat een politieke overtuiging fundamenteel moet zijn. Ook de uitleg van het begrip ‘godsdienst’ is volgens eisers niet juist. Het kan onder andere een levensovertuiging, een identiteit en een manier van leven omvatten. Het gaat erom dat een westerse levensstijl vanuit het perspectief van (Afghaanse) actoren van vervolging een godsdienstige of politieke overtuiging is. Zij verwijzen ter onderbouwing van hun betoog onder andere naar een rapport van het EASO ‘Country of Origin Information Report Afghanistan, (Q19) – van 2 september 2020 (COI Query). De Afdeling heeft op 23 november 2020 zaken ter zitting behandeld die betrekking hebben op het begrip ‘politieke overtuiging’. Eisers verwijzen naar een in dat kader uitgebracht Rapport van de Commissie Strategisch procederen, inbreng van de UNHCR en door de Afdeling gestelde vragen. Eisers verzoeken de rechtbank om de onderhavige zaken aan te houden in afwachting van die uitspra(a)k(en). Ter zitting hebben zij de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen over het begrip ‘politieke overtuiging’ in het kader van verwestering. 4.1. In de onder 2. genoemde uitspraak van 21 november 2018 heeft de Afdeling uiteengezet dat het al dan niet door tijdsverloop ontwikkelen van een westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap kan leiden. Uitzondering daarop is het geval waarin de vreemdeling aannemelijk maakt dat zijn westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging. De vreemdeling die stelt verwesterd te zijn, wordt ook door het vluchtelingenrecht beschermd als hij aannemelijk maakt dat hij een innerlijke politieke overtuiging heeft ontwikkeld waaraan hij in Nederland uiting geeft en waaraan hij ook bij terugkeer naar zijn land van herkomst uiting zal willen blijven geven en waarvan hij alleen door zichzelf geweld aan te doen zou kunnen afzien. Daarnaast kan sprake zijn van een recht op asiel of een risico op onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij zich in het land van herkomst niet meer helemaal kan aanpassen door uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen of te verbergen gedragskenmerken. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder beleid ontwikkeld dat is neergelegd in Werkinstructie WI 2019/1. 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiseressen 2 en 3 niet blijkt dat hun westerse levensstijl een uiting is van een godsdienstige of politieke overtuiging. Hierbij is, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, niet van belang of bij eiseressen 2 en 3 sprake is van een mening dan wel van een denkwijze/filosofie. Dat zij in Nederland onderwijs genieten, zich anders kunnen kleden, geen hoofddoek dragen en invulling kunnen geven aan hun sociale leven en hun relaties en hobby’s kan niet als een politieke of religieuze overtuiging worden aangemerkt, maar houdt verband met de mogelijkheden binnen een maatschappij, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt. Verweerder stelt niet ten onrechte dat niet van een fundamentele politieke overtuiging kan worden gesproken, omdat niet is gebleken dat eiseressen 2 en 3 in de publieke arena treden om hun politieke overtuiging te uiten, anders dan – in het geval van eiseres 2 – een enkele deelname aan een presentatie en het plaatsen van berichten op Facebook voor familie en vrienden en anders dan – in het geval van eiseres 3 – een enkele deelname aan een demonstratie en presentatie. Verweerder stelt niet ten onrechte dat hun deelname aan de presentatie van Amnesty International over de positie van vrouwen in Afghanistan niet kan leiden tot de conclusie dat zij als afvallige worden gezien, omdat er geen aanwijzingen zijn dat men in Afghanistan op de hoogte zou zijn van deze deelname, noch dat dit voor hen voor problemen zal zorgen. Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd dat de door eiseres 2 gestelde bedreigingen door een voormalig docent en de problemen die eiseressen 2 en 3 stellen te hebben ondervonden met familieleden in Nederland en landgenoten in het AZC niet aannemelijk zijn gemaakt, en dat voorts niet is onderbouwd waarom die gestelde bedreigingen en problemen, die in Nederland zouden hebben plaatsgevonden, van invloed zijn in het geval van terugkeer naar Afghanistan. Voorts heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiseres 2 zich al in Afghanistan op het internet heeft begeven en hier foto’s en teksten heeft geplaatst over haar opvattingen over onder meer de positie van de Afghaanse vrouw en eiseres 3 zich al in Afghanistan daarover op school heeft uitgelaten, waarbij zij, afgezien van enkele negatieve reacties, geen concrete problemen hebben ervaren in Afghanistan en niet is gebleken dat hun opvattingen en activiteiten wezenlijk anders zijn sinds zij in Nederland zijn, zodat niet valt in te zien dat zij bij terugkeer wel concrete ernstige problemen zullen ervaren. Eveneens heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseressen 2 en 3 met hun verklaringen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij persoonlijke kenmerken hebben die uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen zijn en dat zij vanwege deze kenmerken in Afghanistan voor vervolging te vrezen hebben of een risico lopen op een onmenselijke behandeling. Dat zij in Nederland studeren en andere kleding dragen zijn geen kenmerken waarvan niet gevraagd kan worden dat zij dit aanpassen bij terugkeer. De verwijzing naar de COI Query maakt het voorgaande eveneens niet anders, omdat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiseressen 2 en 3 mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer naar Afghanistan aanpassen aan de daar geldende leefregels. Tot slot stelt verweerder terecht dat moslimfeministen, zoals eiseressen 2 en 3 zichzelf aanduiden, niet als specifieke sociale groep zijn opgenomen in het beleid betreffende Afghanistan. 4.3. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in de onder 2. genoemde uitspraak van 21 november 2018 onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, in de gevoegde zaken C-71/11 en C-99/11, Bondsrepubliek Duitsland tegen Y en Z, (ECLI:EU:C:2012:518), en naar de tekst van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Procedurerichtlijn, heeft geoordeeld dat de vervolgingsgronden godsdienstige of politieke overtuiging allebei gaan over kenmerken die zo fundamenteel zijn voor de identiteit of morele integriteit van een vreemdeling, dat niet mag worden gevraagd dat zij dit opgeeft. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, heeft de Afdeling in deze uitspraak dus expliciet het woord ‘fundamenteel’ geïntroduceerd. De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen aanleiding om aan te nemen dat het door de Afdeling vastgestelde beoordelingskader onjuist is. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de behandeling van de onderhavige zaken aan te houden in afwachting van de uitspra(a)k(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.