RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL21.477 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos). Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 10 februari 2021 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL21.478, vanwege corona gerelateerde omstandigheden telefonisch plaatsgevonden op 11 februari
(3)activisten die zich bedienen van verwijzingen naar de Twa-gemeenschap. Nu verweerder dit onderdeel van de deskundigenverklaring niet inhoudelijk betwist, kan niet langer worden vastgehouden aan het standpunt dat de mensenrechtensituatie in Rwanda niet is verslechterd. Document 6: [naam 12] : Ten aanzien van de verklaring van [naam 12] overweegt verweerder dat de Twa in Rwanda te maken krijgen met achterstelling. Verweerder erkent voorts ten aanzien van artikel 1 CEDAW ‘dat de behandeling van de Twa in Rwanda zou kunnen vallen onder deze definitie van rassendiscriminatie’. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat dit nog niet hetzelfde is als vervolging vanwege etniciteit, en dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verplichte naamswijziging van de Twa kan worden gezien als etnische vervolging en dat de oude naam van de bevolkingsgroep ‘indigenous’ in zich had, en er dus geen specifieke verwijzing was naar de Twa-gemeenschap. Of de behandeling van de Twa-gemeenschap in Rwanda kan vallen onder etnische vervolging is nu juist een kwestie waarover de deskundigenverklaringen helderheid verschaffen. Eiser wijst in dit kader op de verklaringen van [naam 11] en van [naam 13] , waaruit onbetwist blijkt dat de situatie in Rwanda voor de Twa verslechtert. Rassendiscriminatie die op grote schaal en blijvend plaatsvindt kan uitmonden in vervolging vanwege etniciteit. Dat dit de Twa in Rwanda overkomt, blijkt uit de brief van [naam 12] . De naamswijziging van Community of Indigenous Rwandese naar Rwandese Community of Potters is wel degelijk een ernstige poging tot uitwissing van het bestaan van de Twa. De Twa is als de oudste geregistreerde groep inwoners van het Grote Meren-gebied in Centraal-Afrika immers een inheemse groep, wat eerder bleek uit hun naam, die de term ‘Indigenous’ in zich droeg. De Rwandese autoriteiten hebben herhaaldelijk geweigerd het simpele feit dat de Twa een inheemse groep zijn, te erkennen en reduceren de identiteit van die groep tot hun bezigheid als pottenbakkers. Dit is een ontkenning van de identiteit van de Twa als inheemse bevolkingsgroep. Het ontzeggen van de aanduiding ‘inheems’ in de naamswijziging van de belangenorganisatie van de Twa is in die context bezien een daad van vervolging. Uit de brief van [naam 12] blijkt aldus dat de situatie van de Twa in Rwanda verslechtert. Het bestreden besluit biedt geen gemotiveerde weerlegging van dat standpunt. Algemene situatie volgens Human Rights Watch, Freedom House: Verweerder miskent voorts dat uit de berichten van mensenrechtenorganisaties wel degelijk blijkt dat sprake is van een verslechtering van de mensenrechtensituatie in Rwanda. Niet alleen zijn er drie oppositieleden verdwenen of vermoord in 2019, hetgeen zeer ernstig is; ook meldt Freedom House dat het verbod op het bediscussiëren van etniciteit ‘makes it nearly impossible for disadvantaged groups, including the indigenous Twa, to organize independently and advocate for their interests.’ Dit sluit aan bij de verklaring van [naam 12] . Eiser betwist niet dat, zoals verweerder overweegt, de artikelen niet (althans niet op zichzelf) duidelijk maken dat eiser 'thans wel in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal staan’, maar stelt wel dat daaruit blijkt dat de situatie van de Twa in Rwanda is verslechterd, en dat eiser om die reden bij terugkeer eveneens gegronde vrees voor vervolging heeft. Document 30: Projectplan COVID-19: Eiser wijst erop dat verweerder de inhoud van dit stuk uit zijn verband trekt. Verweerder stelt dat in dit projectplan geen te verwachten problemen met overheden worden genoemd, maar dat wordt aangegeven dat de veiligheidssituatie goed is in alle vier landen, wat mogelijk maakt dat mensen eenvoudig worden bereikt. Hieruit blijkt volgens verweerder dat er geen sprake is van een verslechterde politieke situatie. Ten aanzien van gedetailleerde en objectieve deskundigenverklaringen heeft verweerder niet weerlegd dat sprake is van een verslechterde mensenrechtensituatie, zoals hierboven reeds inhoudelijk uiteen is gezet. Verweerder kiest echter selectief overwegingen uit een document dat een geheel ander onderwerp betreft (volksgezondheid en de aanpak van een pandemie) om argumenten te vinden die zijn eigen standpunt ondersteunen. Voorts wijst eiser erop dat het Projectplan niet strekt tot belangenbehartiging van de Twa-gemeenschap op Rwandees politiek niveau. Indien dit het geval was, waren de veiligheidsrisico’s groot geweest – zoals blijkt uit bovengenoemde stukken van deskundigen en internationale organisaties. Het Projectplan is erop gericht om de kennis van inheemse gemeenschappen over het tegengaan van de verspreiding van COVID-19 te verbeteren. Dit blijkt ook uit de doelen die zijn opgesomd in het Projectplan. Dat de veiligheidsrisico’s waar het plan op ingaat als laag worden ingeschat zegt niets over de risico’s voor belangenbehartigers van de Twa-gemeenschap op politiek niveau. De passage over de veiligheidssituatie gaat slechts om de vraag of gebieden waar inheemse volkeren wonen, gemakkelijk kunnen worden bereikt. Het betreft hier bovendien een projectplan bedoeld voor mogelijke financiers, niet een deskundigenadvies. Het standpunt van verweerder dat deze bron de verklaringen van internationale experts en mensenrechtenorganisaties over de politieke situatie in Rwanda en de onderdrukking van de inheemse Twa-gemeenschap teniet kan doen, kan niet worden gevolgd. Standpunt verweerder 11.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat na beide eerste aanvragen van eiser al vaststaat dat hij sinds 1992 publiekelijk activiteiten heeft verricht voor [organisatie 1] , maar dat niet gebleken is dat eiser vanwege deze activiteiten in de negatieve belangstelling van de Rwandese autoriteiten staat, dan wel heeft gestaan. Dat met die activiteiten samenhangende problemen de reden hebben gevormd voor zijn vertrek uit Rwanda staat ook vast. Eiser heeft dus in de periode vanaf 1992 tot zijn vertrek activiteiten voor de Batwa in Rwanda kunnen verrichten, zonder in de negatieve aandacht van de autoriteiten te staan. Dat de naam van [organisatie 1] onder dwang is gewijzigd is door eiser niet met stukken onderbouwd. Dat eiser door het veranderen van de naam van [organisatie 1] heeft aangetoond bereid te zijn zich te conformeren aan het nieuwe beleid van de Rwandese regering wordt daarmee nog steeds aannemelijk geacht. Eiser bestrijdt dat hij zich bij terugkeer aan de voorschriften van Rwanda zal houden. Hij motiveert echter niet wat er in zijn activiteiten dan anders zal zijn of worden dan in de periode in Rwanda voorafgaande aan zijn vertrek, waardoor hij, anders dan toen, nu wel in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen te staan. 11.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eerdere uitspraken van de rechtbanken dat de documenten 1 tot en met 11 geïndividualiseerd zijn op de situatie van eiser en inhoudelijk moeten worden beoordeeld, nog niet betekent dat het standpunt van de deskundigen moet worden gevolgd dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor de autoriteiten. Het is aan verweerder om deze documenten inhoudelijk te beoordelen en te wegen in het kader van de onderhavige aanvraag. Niet valt in te zien waarom bij de beoordeling van voormelde documenten niet meegewogen zou mogen worden wat eiser bij zijn eerdere aanvragen naar voren heeft gebracht en hetgeen daarover in rechte vaststaat. Temeer nu de onderhavige aanvraag in het verlengde ligt van de vorige twee aanvragen en eiser zich ook beroep op zijn eerdere asielrelaas. In het besluit heeft verweerder opgemerkt dat in een eerdere procedure reeds geloofwaardig is geacht dat eiser afkomstig is uit Rwanda, van Twa-etniciteit is en dat hij sinds 1991 actief is voor [organisatie 1] . Dat eiser vanwege zijn Twa-etniciteit en vanwege zijn functie een gegronde vrees heeft voor vervolging door de Rwandese regering, is echter ongeloofwaardig geacht. Dit is bevestigd door de Afdeling op 3 augustus 2015 en staat daarom in rechte vast. Daarbij is ook in rechte komen vast te staan dat in het geval van eiser geen sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM. Uit de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling omtrent de eerste en tweede aanvraag van eiser volgt dan ook dat in rechte vast staat dat eiser op grond van hetgeen door hem bij die aanvragen naar voren is gebracht niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van Rwanda staat. In het licht hiervan valt niet in te zien waarom hetgeen ten aanzien van eiser in rechte vaststaat en hetgeen overigens bij de eerste en tweede aanvraag naar voren is gekomen bij de overwegingen omtrent de onderhavige aanvraag van eiser niet zou mogen worden meegewogen, als daarbij tevens uitvoering wordt gegeven aan de voormelde uitspraken van de rechtbank van 26 september 2019 en 21 juli 2020, te weten een inhoudelijke beoordeling van de documenten of eiser bij terugkeer naar Rwanda een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Van een onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering, in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals door eiser gesteld is dan ook geen sprake. Document 2: [naam 8] Zelfs wanneer zou worden aangenomen dat de mensenrechtensituatie verslechterd zou zijn, doet dat nog niet af aan het besluit van 17 september
- In het voornemen is overwogen dat uit deze verklaring niet is gebleken van omstandigheden die maken dat eiser in de negatieve belangstelling van de Rwandese autoriteiten is komen te staan. [naam 8] stelt dan wel dat eiser vanwege zijn activiteiten voor de [organisatie 1] als mensenrechtenactivist bij terugkeer een groot risico loopt op een behandeling die een schending is van artikel 3 EVRM en dat het [functie] van de [organisatie 1] van eiser geen geheim is in Rwanda, maar onderbouwt dat onder meer met dat zijn familie meermaals zou zijn bedreigd en het slachtoffer zou zijn geweest van geweld. In de voorgaande procedures is juist dat echter al ongeloofwaardig geacht. [naam 8] refereert in de brief weliswaar aan gebeurtenissen en rapporten die dateren uit 2016 en daarna, maar welke gebeurtenissen of omstandigheden na de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2015 en 17 november 2015 nog zijn voorgevallen, waaruit kan worden afgeleid dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Rwandese autoriteiten, maakt zij niet duidelijk. Document 5: [naam 11] Eiser heeft hiermee nog niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment een gegronde vrees heeft in de negatieve belangstelling van de autoriteiten te staan. Daarbij spelen ook een rol de overwegingen van verweerder over de daadwerkelijke activiteiten van eiser voor de Batwa-minderheid sinds de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2015 en die omtrent de aanpassingen van de naam van de [organisatie 1] . Document 6: [naam 12] Verweerder heeft in het voornemen overwogen dat geen sprake kan zijn van ‘slow genocide’ en dat in het huidige Rwanda mensen niet worden vervolgd vanwege hun etniciteit. Verder is overwogen dat hoewel de Twa een etnische groep is die in Rwanda te maken kan krijgen met achterstelling, zij zich kunnen profileren of voor hun rechten als etnische groep opkomen, als zij zich houden aan de door de regering aangegeven kaders. De suggestie dat toch sprake zou kunnen zijn van vervolging vanwege etniciteit is geen suggestie van verweerder. Dat de behandeling van de Twa in Rwanda zou kunnen vallen onder de definitie van rassendiscriminatie van artikel 1 van de CEWAD betekent volgens verweerder echter nog niet dat sprake is van vervolging vanwege etniciteit of ‘slow genocide’. Eiser motiveert verder niet waarom de naamswijziging als etnische vervolging zou moeten worden gezien. In de oude naam van de organisatie was de naam van de bevolkingsgroep Twa ook niet opgenomen, maar ‘Indigenous’, wat kan worden vertaald met inheems. Waarom het niet meer mogen gebruiken van de aanduiding ‘inheems’ als etnische vervolging moet worden gezien wordt niet duidelijk gemaakt. Verder gaat eiser voorbij aan de overweging van verweerder dat hoewel een deel van de informatie toeziet op een periode van na het vorige besluit, [naam 12] niet verklaart welke gebeurtenissen of omstandigheden na bovengenoemde uitspraken nog zijn voorgevallen waaruit kan worden afgeleid dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Rwandese autoriteiten. Document 7: [naam 13] Met de verklaring van mevrouw [naam 13] dat, als eiser bij terugkeer zijn activiteiten zal voortzetten en zich daarbij zal bedienen van verwijzingen naar de Twa-gemeenschap als specifiek etnische minderheid, hij het risico loopt door de Rwandese autoriteiten te worden vervolgd, is nog niet aannemelijk gemaakt dat eiser op dit moment een gegronde vrees heeft in de negatieve belangstelling van de autoriteiten te staan. Daarbij spelen ook de daadwerkelijke activiteiten van eiser voor de Batwa-minderheid sinds de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2015 en de aanpassingen van de naam van de [organisatie 1] . Human Rights Watch: Freedom House Dat de situatie in Rwanda verslechterd is ten opzichte van de situatie ten tijde van de vorige aanvraag van eiser kan uit deze berichten niet worden opgemaakt. Er zou sprake zijn van een lange historie van onderdrukking. Daarvan was ook al sprake ten tijde van de vorige asielaanvragen van eiser, die beide zijn afgewezen en in rechte vaststaan. De artikelen maken niet duidelijk waarom eiser thans wel in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal staan. Projectplan COVID-19 Verweerder stelt zich op het standpunt dat onder de risico’s niet gesproken wordt van te verwachten problemen met overheden, maar dat bij de kansen daarentegen juist wordt aangegeven dat de veiligheidssituatie goed is in alle vier de landen. Dit maakt het mogelijk om de te ondersteunen mensen eenvoudig te bereiken. Het valt niet in te zien waarom er van een verslechterde politieke situatie geen melding zou worden gemaakt bij een recent projectplan als hiervoor omschreven, nu het juist een bevolkingsgroep is die daarvan te lijden zou hebben. 11.4 Het vorenstaande in aanmerking nemend wordt het standpunt van eiser dat het politieke klimaat in Rwanda is verslechterd sinds de vorige aanvraag van eiser niet gevolgd. Daar komt nog bij, zo er wel van enige verslechtering sprake zou zijn, er wordt aangenomen dat van activiteiten door eiser als mensenrechtenactivist thans niet of nauwelijks sprake is, waardoor nog steeds niet aannemelijk is dat eiser op grond van die activiteiten thans wel in de negatieve belangstelling van de Rwandese autoriteiten zou staan. Oordeel rechtbank 11.5 De rechtbank stelt allereerst het volgende vast. Het asielrelaas van eiser is naar aanleiding van de eerdere aanvragen in eerdere procedures (tot en met de Afdelingsuitspraak van 17 november 2015) ongeloofwaardig geacht. Wel is geloofwaardig geacht dat eiser van Twa-etniciteit is en actief was als mensenrechtenactivist bij [organisatie 1] en [organisatie 2] maar dat hij daarmee niet in de negatieve belangstelling stond. Dat in rechte is vast komen te staan dat eiser ten tijde van de vorige asielprocedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Rwandese autoriteiten stond vanwege het feit dat hij van Twa-etniciteit is en mensenrechtenactivist is, maakt nog niet dat eiser in daaropvolgende asielaanvragen niet aannemelijk zou kunnen maken dat hij thans bij terugkeer een risico loopt op vervolging of ernstige schade. Naar het oordeel van de rechtbank grijpt verweerder ten onrechte regelmatig terug naar het eerdere in rechte vaststaande besluit van 17 september
- Sinds dit besluit heeft de rechtbank naar aanleiding van nieuwe stukken immers weer een nieuw oordeel gevormd. Bovendien heeft de rechtbank hiervoor in r.o. 7.4 geconcludeerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn activiteiten ongeloofwaardig zijn. 11.6 Ten aanzien van de door eiser overgelegde deskundigenverklaringen is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de mensenrechtensituatie in Rwanda voor mensen van Twa-etniciteit en voor mensenrechtenactivisten is verslechterd en dat eiser daadwerkelijk een risico loopt. Hetgeen verweerder daar tegenover stelt in het bestreden besluit, acht de rechtbank onvoldoende. Zo heeft verweerder ten aanzien van document 2, van [naam 8] , wederom verwezen naar het besluit van 17 september
- Zoals hiervoor is overwogen, kan dit argument niet slagen, nu eiser ook door het overleggen van nieuwe documenten kan aantonen dat de situatie in Rwanda voor iemand als eiser thans anders is dan ten tijde van de vorige asielaanvragen. [naam 8] heeft duidelijk gesteld dat eiser juist vanwege het feit dat hij mensenrechtenactivist is, en dat het geen geheim in Rwanda is dat hij zich zo profileert, hij een groot risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Het enkele standpunt van verweerder dat [naam 8] dit onder meer onderbouwt met de stelling dat eisers familie is bedreigd en slachtoffer zou zijn geweld, terwijl dit in de eerdere asielprocedures ongeloofwaardig is geacht, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verweerder ook de andere overwegingen van [naam 8] ten aanzien van de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Rwanda had moeten betrekken. In de verklaring van [naam 11] staat dat opvattingen die door de Rwandese autoriteiten gekwalificeerd kunnen worden als ‘divisionistisch’ (spreken in termen van Hutu, Tutsi of Twa) niet worden getolereerd. En wie in Rwanda of op internationale conferenties pleit voor verzet tegen de onderdrukking van Batwa kan beschuldigd worden van vijand van het regime te zijn en het lijkt vrijwel zeker dat zo iemand wordt opgepakt. Daarnaast beschrijft [naam 13] van Minority Rights Group dat de Twa nog steeds gediscrimineerd en gemarginaliseerd worden en dat de Rwandese autoriteiten gelijkheid onder de bevolking willen, in die zin dat alle burgers Rwandees zijn en er dus geen etnische groepen meer bestaan in Rwanda. Mensen die opkomen voor hun eigen etniciteit zoals eiser, gaan, zo stelt zij, tegen de Rwandese wet in, waardoor zij een groot risico lopen op vervolging door de Rwandese autoriteiten. Eiser loopt volgens haar bij terugkeer een grote kans om gearresteerd en vervolgd te worden als hij zo doorgaat. Verweerders motivering ten aanzien van deze twee laatste verklaringen is onvoldoende, reeds omdat verweerder daarbij met name betrekt dat eiser sinds 2015 geen daadwerkelijke activiteiten verricht. Ten aanzien van de verklaring van [naam 12] is de rechtbank van oordeel dat het feit dat Twa zichzelf niet meer ‘indigenous’ mogen noemen, maar alleen ‘potters’, inderdaad, zoals verweerder stelt, nog niet betekent dat dit het bewijs is dat er sprake is van ‘slow genocide’, maar in samenhang met de andere verklaringen vormt dit wel een onderbouwing dat er sprake is van een verslechterde situatie voor de Twa. Verder maakt het enkele standpunt van verweerder dat uit het stuk van Human Rights Watch niet blijkt dat sprake is van verslechtering, omdat het hetzelfde stelt als tijdens de vorige procedure, nog niet dat dit stuk voor eiser niet van belang kan zijn. Eiser wil met alle verklaringen en documenten aantonen dat het in rechte vaststaande standpunt dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging nu anders kan zijn. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder zelf geen enkele landeninformatie heeft betrokken bij zijn oordeel. Eiser heeft zeer veel documenten overgelegd die zijn stellingen ondersteunen, maar verweerder heeft nagelaten hier andere informatie tegenover te stellen. Nu eiser zelf van Twa-etniciteit is en verweerder onvoldoende heeft weerlegd dat hij aangemerkt moet worden als mensenrechtenactivist, heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd, dat er geen gegronde vrees voor vervolging door de Rwandese autoriteiten is bij terugkeer naar Rwanda. Conclusie
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd en daarom in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal hierna uiteenzetten wat de gevolgen zijn van de gegrondverklaring van het beroep en van de vernietiging van het bestreden besluit. Beroepsgrond 4: Verzoek tot toepassing artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb Standpunt eiser
- Eiser verzoekt de rechtbank zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De onderhavige opvolgende aanvraag van eiser is tot driemaal toe afgewezen. Reeds tweemaal is dat besluit van verweerder vernietigd door de rechtbank. Nu ligt er opnieuw een beslissing van verweerder met meerdere motiveringsgebreken. Gelet op de kennelijke weigering van verweerder om gehoor te geven aan de opdracht van de rechtbank in de eerdere uitspraken van 26 september 2019 en 21 juli 2020, kan de rechtbank in de onderhavige situatie gebruik maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Deze bevoegdheid is mede gebaseerd op het arrest Torubarov. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat de rechter in dergelijke situaties zijn eigen overwegingen in de plaats kan stellen van dat van het bestuursorgaan. Eiser verzoekt daarom op basis hiervan het primaire besluit te herroepen en eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Standpunt verweerder 13.1 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Indien de rechtbank van oordeel is dat het beroep gegrond moet worden verklaard, is het echter aan verweerder om een beoordeling te geven of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Andere omstandigheden kunnen ook een rol spelen bij het al dan niet verlenen van een verblijfsvergunning, waardoor deze taak bij verweerder ligt en niet bij de rechtbank. Oordeel rechtbank 13.2 Op grond van artikel 8:41a van de Awb moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen omdat dit in dit geval een efficiënte afdoening in de weg staat. De rechtbank ziet wel aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij verweerder zal opdragen een asielvergunning te verstrekken. Het is in de eerste plaats aan verweerder om te beoordelen of de uitspraak van de rechtbank leidt tot verlening van de gevraagde vergunning. Deze essentiële rol van beslisautoriteiten voor de beoordeling van een aanvraag heeft het Hof bevestigd in de arresten Alheto en Torubarov. Redengevend hiervoor is dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen bij het verlenen van een verblijfsvergunning, zoals verweerder ook terecht stelt. In dit specifieke geval is de rechtbank echter van oordeel dat zij, ingevolge punt 65 van het arrest Torubarov, beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens. Verweerder heeft niet gemotiveerd betwist dat een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van alle gegevens die van belang zijn in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden. Indien verweerder van mening is dat er andere omstandigheden zouden kunnen zijn op grond waarvan verlening van de verblijfsvergunning niet zou kunnen plaatsvinden, had hij dat naar voren moeten brengen. Bovendien heeft verweerder nagelaten gebruik te maken van twee eerdere mogelijkheden om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Nu verweerder dit heeft nagelaten, zal de rechtbank in het kader van finale geschillenbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien in die zin, dat de rechtbank aan verweerder op draagt aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen met ingang van 19 juli
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats treedt; - draagt verweerder op aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met ingangsdatum 19 juli 2019; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid vanmr. C.H. Gall, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Uitspraak van 8 mei 2015, AWB 14/
- 201504608/1/V
- Uitspraak van 8 oktober 2015, AWB 15/
- 201507864/1/V
- NL19.
- NL20.
- Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. Noot bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 2017, JV 2017/
- Rwanda, Oeganda, Burundi en Congo. Global Voices Advox, How does Rwanda’s genocide ideology law regulate speech online?, 20 juli 2020; Human Rights Watch, La wand Reality: Progress and Judicial Reform in Rwanda, 2008; Bertelsmann Stiftung , BTI 2020 Country Report – Rwanda. Minority Rights, https://minorityrights.org/minorities/twa-2/ en Canada: Immigration and Refugee Board of Canada, ‘Rwanda: Legislation governing divisionism (2004-June 2007), https://www.refworld.org/docid/474e895a1e.html Richtlijn 2011/95/EU. Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), 29 juli 2019, Torubarov t. Hongarije, C-556/17, ECLI:EU:C:2019:626, rechtsoverweging
- Arrest van het Hof van 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:584, punt
- Punt 64 uit het arrest Torubarov.