Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: AWB 20/4594, 20/4596 en 20/4598 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2021 in de zaak tussen [naam eiseres 1] , eiseres 1, [naam eiseres 2] , eiseres 2, [naam eiser] , eiser (hierna samen te noemen: eisers) V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. F. Schoots. Procesverloop Bij besluit van 15 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “niet-tijdelijke humanitaire gronden” op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende Kinderen (de Afsluitingsregeling) afgewezen. Bij besluit van 29 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen: [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum eiseres 1] . Haar moeder, eiseres 2, is geboren op [geboortedatum eiseres 2] en haar vader, eiser, is geboren op [geboortedatum eiser] . Zij hebben allemaal de Kirgizische nationaliteit. Op 26 september 2012 hebben zij aanvragen voor een asielvergunning ingediend. Deze aanvragen zijn afgewezen op 21 juni 2013. Op 16 januari 2014 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep van eisers gegrond verklaard. Deze uitspraak is op 18 juli 2014 in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd. Bij besluiten van 9 december 2014 heeft verweerder opnieuw beslist op de asielaanvragen van eisers en heeft hij deze aanvragen afgewezen. Het door eisers tegen deze besluiten ingestelde beroep is op 7 mei 2015 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 9 oktober 2015 in hoger beroep door de Afdeling bevestigd. Na hun eerste asielaanvragen hebben eisers op 25 augustus 2015 opvolgende asielaanvragen ingediend. Bij besluiten van 13 september 2016 heeft verweerder de opvolgende asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft hij aan eiser en eiseres 2 een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Op 11 oktober 2016 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het door eisers tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk. Op 10 februari 2019 hebben zij de onderhavige aanvraag ingediend. 2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eisers niet beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd en zij niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Vw 2000 (Vw) dan wel artikel 3.71, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Hieraan legt verweerder ten grondslag dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling, omdat niet is voldaan aan voorwaarde c, genoemd in paragraaf B9/6.5 van de Vc 2000 (Vc). In deze voorwaarde staat (voor zover hier van belang) dat de vreemdeling zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de IND, DT&V, het COA of de AVIM (in het kader van de meldplicht). Daarnaast is volgens verweerder sprake van contra-indicatie e, genoemd in paragraaf B9/6.6 van de Vc, dat de vreemdeling niet beschikbaar is geweest in het kader van vertrek. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder erop gewezen dat uit informatie van de DT&V en het COA is gebleken dat eisers in oktober 2016 met onbekende bestemming zijn vertrokken uit de opvanglocatie en dat zij van oktober 2016 tot februari 2019 voor een periode van ongeveer twee jaar en vier maanden buiten beeld zijn geweest van de IND, DT&V, het COA en de AVIM. Ze hebben zich dus langer dan drie maanden onttrokken aan het toezicht. Eisers zijn gedurende deze periode ook niet beschikbaar geweest in het kader van vertrek. Daarnaast heeft verweerder aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en dat hun uitzetting geen schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. 3. Voor zover eisers betogen dat de gronden van bezwaar in beroep als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op het bezwaar heeft gereageerd. Voor zover eisers in beroep niet toelichten waarom en op welke punten die motivering tekortschiet, gaat de rechtbank aan dit betoog voorbij. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in rechtsoverweging 5 van de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:547). 4. Eisers betogen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij zich te lang hebben onttrokken aan toezicht en dat in hun geval niet is voldaan aan het beschikbaarheidscriterium. Volgens eisers lijkt verweerder het beschikbaarheidscriterium enkel in te vullen met de vraag of zij zich hebben onttrokken aan toezicht. Dat is volgens hen een onjuiste invulling van het beschikbaarheidscriterium. Het zijn twee aparte voorwaarden. Niet alleen hebben eisers zich niet onttrokken aan toezicht, zij zijn ook beschikbaar gebleven voor gesprekken en begeleiding. Ze zijn altijd beschikbaar geweest via hun gemachtigde en duidelijk is ook dat eiseres 1 gedurende de gehele periode naar school ging. Dit betoog slaagt niet. 4.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de invulling van de Afsluitingsregeling een grote mate van vrijheid heeft en dat hij bij het stellen van voorwaarden kan bepalen welke groepen van personen onder dat beleid vallen en welke toelatingseisen van toepassing zijn. De Afsluitingsregeling is begunstigend beleid en tot het instellen hiervan was verweerder niet wettelijk verplicht. Bij het vaststellen van de criteria van de Afsluitingsregeling had verweerder dan ook veel beleidsvrijheid. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:512) over de Regeling langdurig verblijvende kinderen, eerder begunstigend beleid van verweerder dat in zeer grote mate overeenkomt met de Afsluitingsregeling. De rechtbank vindt het beleid van de Afsluitingsregeling niet kennelijk onredelijk. 4.2 De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat verweerder een onjuiste invulling heeft gegeven aan het beschikbaarheidscriterium omdat hij dit criterium enkel zou hebben ingevuld aan de hand van de vraag of eisers zich hebben onttrokken aan toezicht. Deze stelling van eisers berust op een verkeerde lezing van het bestreden besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat de voorwaarde als bedoeld in paragraaf B9/6.5 onder c, van de Vw (niet onttrekken aan het toezicht) alleen wordt tegengeworpen als ook de contra-indicatie als bedoeld in paragraaf B9/6.6, onder e, van de Vc (het in het kader van de Afsluitingsregeling ingevoerde beschikbaarheidscriterium) van toepassing is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:650, heeft verweerder ook toegelicht dat, waar in het kader van het niet onttrekken aan het toezicht een actieve rol van de vreemdeling wordt verlangd om in beeld te blijven (de vreemdeling moet inspanningen verrichten), in het kader van het beschikbaarheidscriterium als uitgangspunt geldt dat de daadwerkelijke verblijfplaats bij één van de in het beleid bedoelde onderdelen van de Rijksoverheid bekend moet zijn. 4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat eisers in oktober 2016, aan het einde van de (opvolgende) asielprocedure, op de hoogte waren van het feit dat die procedure was geëindigd en dat zij de opvanglocatie van het COA op eigen initiatief met onbekende bestemming hebben verlaten. Sinds hun vertrek uit de opvang in oktober 2016 hebben zij gedurende een periode van ongeveer twee jaar en vier maanden geen contact meer gehad met de IND, het COA en/of de DT&V/AVIM. Ook was hun daadwerkelijke verblijfsplaats in die periode niet bekend bij één van die diensten. Ook hebben zij er geen blijk van gegeven beschikbaar te zijn voor vertrek. Dat eisers zich niet hebben onttrokken aan toezicht en beschikbaar zijn gebleven voor gesprekken en begeleiding en dat zij via hun gemachtigde steeds beschikbaar en bereikbaar zijn geweest, heeft verweerder daarom onvoldoende kunnen achten. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiseres 1 in de genoemde periode naar school is gegaan, nu eisers – naar verweerder terecht stelt – ook hiermee niet aan de voorwaarden van het beleid hebben voldaan. 5. Eisers voeren aan dat verweerder hun beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Zij hebben een gemotiveerd beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, waarbij zij hebben verwezen naar een concrete zaak van een Iraakse familie. Ook in die zaak speelde het verwijt van onttrekking aan toezicht en in die zaak is alsnog een kinderpardonvergunning verleend. Dit betoog slaagt niet. 5.1 In de zaak van eisers gaat het om (voorwaarde c
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.