RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 21 /1628 en 21 /1627 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigden: mr. J.A. Huijgen en mr. R.A. Mulder), en het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder (gemachtigde: ing. A. Bijstra). Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij], te [woonplaats] . Procesverloop In het besluit van 8 september 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser een vijftal lasten onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het perceel [weg] [huisnummer] in Leidschendam. In het besluit van 8 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknr. SGR 21/1628). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknr. SGR 21/1627). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april
(2)de zelfstandige praktijkruimte - niet behorend bij een op het perceel aanwezige legale woning. Dit betekent dat in de eerste plaats van belang is of deze vormen van gebruik zich verdragen met de planregels. Last 2 8.1 Aangezien zich op het perceel reeds 4 woningen bevinden, is op grond van artikel 22.1.1 in samenhang met artikel 22.2.2 van de planregels in de grote houten schuur geen woning toegestaan. Uit het controlerapport van 17 juli 2020 blijkt, onder meer aan de hand van fotomateriaal, dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat de grote houten schuur is ingericht als combinatie van woon- en praktijkruimte. Verder is in dit rapport vermeld dat eiser heeft verklaard dat de schuur regelmatig wordt gebruikt om te overnachten. Gesteld noch gebleken is dat deze bevindingen van de toezichthouder van verweerder niet objectief of niet onzorgvuldig zijn of voor onjuist moeten worden gehouden. 8.2 Gelet op deze bevindingen van de toezichthouder heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden geconstateerd dat de grote houten schuur een gebouw is dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van een huishouding en dus gebruikt kan worden als woning, hetgeen in strijd is met artikel 22.1.1 in samenhang met artikel 22.2.2 van de planregels. Tevens neemt de voorzieningenrechter hierbij in aanmerking dat deze schuur ook af en toe feitelijk als woning wordt gebruikt door eiser als hij in Nederland is en dat eiser nog steeds staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (brp) van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Hetgeen eiser hierover heeft gesteld slaagt dan ook niet. 8.3 Dit gebruik van de grote houten schuur is dan ook in strijd met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Aangezien onder strijdig gebruik mede bouwen ten dienste van strijdig gebruik moet worden verstaan, was verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om tegen de inrichting en verbouwing van de grote houten schuur ten behoeve van de woonfunctie/tijdelijke verblijfplaats handhavend op te treden. Last 4 9.1 In het controlerapport van 17 juli 2020 is tevens aangegeven dat eiser heeft verteld dat zijn vrouw de schuur ook gebruikt als praktijkruimte voor therapiesessies, schilderen en online kooklessen. Dit blijkt eveneens uit het bij dit rapport gevoegde fotomateriaal. 9.2 In de grote houten schuur mag op grond van artikel 22.1.1, aanhef en onder f, van de planregels alleen een aan het wonen ondergeschikte praktijkruimte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep worden gerealiseerd. 9.3 Op grond van artikel 1.3 van de planregels wordt onder aan huis verbonden beroep verstaan: een dienstverlenend beroep, dat op kleine schaal in een woning of een daarbij behorend bijgebouw door een bewoner van die desbetreffende woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft (gezien de aard, omvang en intensiteit), die in overeenstemming is met de woonfunctie. Hieronder wordt niet verstaan een kleinschalig bedrijf aan huis. 9.4 Volgens verweerder is sprake van een zelfstandige praktijkruimte in plaats van een aan huis verbonden beroep. Het gaat immers om een atelier- en praktijkruimte voor de meest uiteenlopende therapieën en cursussen. De voorzieningenrechter ziet geen reden om dit standpunt van verweerder niet te volgen. Uit het bij het controlerapport van 17 juli 2020 gevoegde fotomateriaal blijkt immers dat de indeling van de grote houten schuur met keuken en slaapkamer feitelijk niet oogt als een aan een woning ondergeschikte praktijkruimte. Aangezien het uitoefenen van een (aan huis verbonden) bedrijf op grond van artikel 22.5.1, aanhef en onder d, van de planregels tot strijdig gebruik gerekend wordt, is ook dit gebruik van de grote houten schuur in strijd met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Hetgeen eiser hierover heeft gesteld slaagt dan ook evenmin. 9.5 Dit gebruik was ook reeds in strijd met het voorgaande bestemmingsplan “Landelijk Gebied, gedeeltelijke herziening 1987”, waarin de agrarische bedrijfswoning als woning was aangeduid en de grote houten schuur als bestaande bebouwing, dus als bijgebouw bij die woning. In artikel 1, lid 14, van die planvoorschriften was een bijgebouw gedefinieerd als al dan niet vrijstaand, niet voor bewoning bestemd gebouw, dat een functionele eenheid vormt met een hoofdgetouw, zoals bijvoorbeeld een kasje, garage, kippenhok en schuur. Het gebruik van de grote houten schuur als praktijkruimte voldeed daar niet aan. 9.6 Op grond van artikel 38.1 van de planregels van het thans geldende bestemmingsplan mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Op grond van artikel 38.4 van deze planregels is het bepaalde in artikel 38.1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 9.7 Nu het gebruik van deze schuur als praktijkruimte reeds strijdig was met het voorheen geldende bestemmingsplan, heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat dit gebruik van deze schuur niet onder het overgangsrecht valt. Dit gebruik van de grote houten schuur is dan ook eveneens in strijd met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Beide lasten
- Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2014). 11.1 Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo is verweerder bevoegd in een geval als hier aan de orde een omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder is blijkens het primaire besluit niet bereid een afwijkingsbesluit te nemen, omdat voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, voor zover hier relevant, in de eerste plaats objecten met cultuurhistorische waarde van belang zijn. Aan onderdelen van het erf [weg] [huisnummer] heeft de gemeente in het verleden daarom de status van gemeentelijk monument toegekend. In het geldende bestemmingsplan is het perceel daarnaast voorzien van de functieaanduiding “cultuurhistorische waarden”. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” is aangegeven welke aspecten op het perceel kunnen worden ingepast en aan welke randvoorwaarden daarbij moet worden voldaan. Het huidige gebruik van de grote houten schuur doorkruist de ruimtelijke visie in het bestemmingsplan waarvoor geen goede ruimtelijke onderbouwing is te geven. Toevoeging van (nog) een woning in de grote houten schuur is vanuit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk omdat dit de collectiviteit van het erf ondermijnt, aldus verweerder. 11.2 Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:251), is het enkele feit dat verweerder niet bereid is toestemming te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan in beginsel voldoende voor het oordeel dat geen concreet zicht bestaat op legalisatie. Nu verweerder niet bereid is medewerking te verlenen aan de huidige activiteiten in het pand, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op deze uitspraak van de Afdeling, geen sprake van concreet zicht op legalisatie. 11.3 Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving dient te worden afgezien.
- Het beroep is dan ook ongegrond. 13.1 Eiser heeft tenslotte verzocht om de begunstigingstermijn in ieder geval met twee weken te verlengen zodat hij in de gelegenheid is om tijdig aan de opgelegde lasten 2 en 4 te voldoen. Dit in verband met het feit dat eiser thans in Spanje verblijft en de geldende (reis)beperkingen vanwege de Coronamaatregelen. 13.2 Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard hiertoe niet bereid te zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder met deze omstandigheden rekening moeten houden. De termijn die na de uitspraak voor eiser resteert om aan de lasten te voldoen, die minder dan twee weken bedraagt, komt de voorzieningenrechter, gezien de hiervoor geschetste omstandigheden, onredelijk kort voor. Daarom ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om de aan de lasten 2 en 4 verbonden begunstigingstermijnen bij wijze van voorlopige voorziening te verlengen tot en met 17 mei
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek toe in die zin dat de voorlopige voorziening wordt getroffen dat de aan de lasten 2 en 4 verbonden begunstigingstermijnen is verlengd tot en met 17 mei 2021; - wijst het verzoek voor het overige af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.