Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 19-7318 (echtscheiding) FA RK 20-339 (afwikkelen huwelijkse voorwaarden) Zaaknummers: C/09/581421 (echtscheiding) C/09/587562 (afwikkelen huwelijkse voorwaarden) Datum beschikking: 15 april 2021 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 13 september 2019 ingekomen verzoek van: [X] , de vrouw, wonende te [woonplaats 1] , feitelijk verblijvende te [plaatsnaam 1] , advocaat: mr. S.C. Meijler te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [Y] de man, wonende te [woonplaats 2] , feitelijk verblijvende te [plaatsnaam 2] , advocaat: mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 17 oktober 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken van 4 december 2019 van de zijde van de man; het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens inhoudende een aanvullend verzoek van 28 januari 2020 van de zijde van de vrouw; de brief van 27 februari 2020 van de zijde van de man; de brief van 27 februari 2020 van de zijde van de vrouw; de brief van 12 maart 2020 van de zijde van de vrouw; de brief van 12 maart 2020 van de zijde van de man; het F9-formulier van 4 juni 2020 van de zijde van de vrouw; de brief van 22 februari 2021, met bijlagen, inhoudende een aanvullend verzoek, van de zijde van de vrouw; de brief van 22 februari 2021, met bijlagen, van de zijde van de man; het e-mailbericht van 3 maart 2021, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het e-mailbericht van 3 maart 2021, met bijlagen, van de zijde van de man; het F9-formulier van 3 maart 2021, met bijlage, van de zijde van de man. De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt. Op 4 maart 2021 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer in deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten en [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Bij de zitting was ook aanwezig mr. W.E. Povel, een kantoorgenoot van mr. P.N.M. de Gier. Tijdens de zitting zijn zowel van de zijde van de man als van de zijde van de vrouw pleitnotities overgelegd en deels voorgedragen. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om na de zitting, samen met hun advocaten, te proberen alsnog tot overeenstemming te komen. De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen: het e-mailbericht van 16 maart 2021 van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 19 maart 2021 van de zijde van de man. Feiten De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2005 te [huwelijksplaats] . Zij zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: o [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ; o [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] . - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw zoals dat op dit moment luidt strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: - opname van het ouderschapsplan in de beschikking; - vaststelling van door de man te betalen kinderalimentatie van € 720,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 7.000,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden: - bepaling dat de man op grond van artikel 21 en artikel 22 Rv de informatie zoals opgenomen in punt 9 van het aanvullend verzoek van 28 januari 2020 moet verschaffen en de op zijn stellingen betrekking hebbende bescheiden in het geding moet brengen; - primair: de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 25 mei 2012 en de onderliggende vaststellingsovereenkomst te vernietigen en de wijze van afwikkeling van de initiële akte huwelijkse voorwaarden uit 2005 vast te stellen, op de wijze zoals nader door de vrouw zal worden verzocht; - subsidiair: vaststelling van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden conform het nader door de vrouw in te dienen voorstel; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert geen verweer tegen de echtscheiding en het verzoek over de opname van het ouderschapsplan. De man voert verweer tegen de overige verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hiernaast heeft de man thans zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken. Beoordeling Relatieve bevoegdheid De rechtbank Den Haag is op grond van artikel 262 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in beginsel onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen, nu de vrouw en de man allebei in de BRP staan ingeschreven als wonende te [woonplaats 1 en 2] en [woonplaats 1 en 2] buiten het arrondissement van de rechtbank Den Haag valt. De rechtbank begrijpt uit het verweerschrift van de man dat hij de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag niet betwist (artikel 270 lid 2 Rv). Nu geen van partijen een verwijzing wenst, zal de rechtbank de voorliggende verzoeken behandelen en beoordelen. Echtscheiding Ontvankelijkheid De man en de vrouw hebben tijdens de zitting alsnog een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan ingediend. Nu hiermee aan de wettelijke formaliteiten zoals genoemd in artikel 815 Rv is voldaan, zal de rechtbank de man en de vrouw ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling De door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de man erkend en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken over en weer ingediende verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn. Opname ouderschapsplan De man en de vrouw hebben in de loop van de procedure afspraken gemaakt over de kinderen. De ouders hebben deze afspraken – die onder meer zien op de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken – vastgelegd in een tijdens de zitting ondertekend ouderschapsplan. Hetgeen eerder meer of anders is verzocht over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling is tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank zal bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking en zal een kopie van het ouderschapsplan aan deze beschikking hechten. Kinderalimentatie De ouders hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de door de man te betalen kinderalimentatie, omdat zij van mening verschillen over de toe te passen zorgkorting. De rechtbank zal daarom op dat punt een beslissing nemen. Ingangsdatum De ouders zijn het erover eens om uit te gaan van de datum van deze beschikking als ingangsdatum. Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2] Tussen de ouders is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (in 2017) € 1.450,- per maand is. Geïndexeerd naar 2021 bedraagt de behoefte € 1.585,- per maand. Dit is € 792,50 per kind per maand. Draagkracht ouders De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken dat de man en de vrouw ervanuit gaan dat de vrouw in het kader van de kinderalimentatie een minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand. De hoogte van het huidige inkomen van de man is een geschilpunt tussen de ouders, maar nu de man geen draagkrachtverweer heeft gevoerd en tussen de ouders vaststaat dat hun gezamenlijke draagkracht voldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zal de rechtbank hier verder niet op ingaan. Zorgkorting De man maakt aanspraak op toepassing van een zogenoemde zorgkorting op de door hem verschuldigde kinderalimentatie. Tussen de ouders is in geschil of met een percentage van 15% of 25% zorgkorting moet worden gerekend. De rechtbank volgt in dit opzicht het Rapport alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. In het ouderschapsplan is een zorgregeling opgenomen die inhoudt dat de kinderen iedere 14 dagen een lang weekend bij hun vader zijn van vrijdagmiddag tot zondagavond. Nu de man hiermee gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geldt een percentage van 15%. Dat hiernaast de vakanties en feestdagen volgens het ouderschapsplan ‘steeds zo veel mogelijk bij helfte worden gedeeld’, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet het toepassen van een zorgkorting van 25%. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank dus het standpunt van de vrouw. De rechtbank volgt daarom ook de vrouw in haar (in de pleitnotitie opgenomen) berekening dat de man na aftrek van de zorgkorting een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 661,85 per kind per maand. Conclusie De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van heden een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 661,85 per kind per maand aan de vrouw zal moeten betalen. Partneralimentatie Behoefte vrouw De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van een behoeftelijst (productie 6) gesteld op € 4.618,04 netto per maand. De man stelt dat de behoefte van de vrouw € 3.114,71 netto per maand is, waarbij hij de volgende posten van de behoeftelijst heeft betwist: vakantie voeding, verzorging, kapper uitjes en cadeaus afschrijving auto benzine opleiding De rechtbank zal hierna de door de man betwiste posten bespreken en beoordelen. Vakantie De rechtbank zal rekening houden met het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 7.500,- per jaar (€ 625,- per maand) voor vakanties. Dit bedrag komt de rechtbank, gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk, niet onredelijk voor. Voeding, verzorging, kapper De rechtbank vindt het gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk redelijk om voor de vrouw rekening te houden met de door de vrouw opgevoerde € 750,- per maand. Uitjes en cadeaus De rechtbank zal rekening houden met in totaal € 200,- per maand, nu haar dit bedrag niet onredelijk voorkomt. Afschrijving auto De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom rekening zou moeten worden gehouden met een hoog bedrag van € 1.333,33 per maand. De rechtbank acht het redelijk om – zoals de man stelt – rekening te houden met een reservering van € 500,- per maand. Benzine De rechtbank zal, gelet op de standpunten van partijen, in redelijkheid rekening houden met € 90,- per maand voor benzine. Opleiding De man heeft deze post gemotiveerd betwist en verklaard bereid te zijn aan kosten voor een opleiding bij te dragen, wanneer de vrouw daadwerkelijk een opleiding volgt. De rechtbank zal geen rekening houden met de kosten voor een opleiding van € 300,- per maand, nu tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw op dit moment geen opleiding volgt en zich ook nog niet concreet heeft georiënteerd op wat voor opleiding zij, per wanneer, wil gaan volgen. De rechtbank komt gelet op het voorgaande en rekening houdend met de posten van de behoeftelijst die niet zijn betwist uit op een behoefte van € 3.424,71 netto per maand. De rechtbank zal daarom een behoefte van afgerond 3.425,- netto per maand als uitgangspunt nemen. Behoeftigheid vrouw De vrouw heeft op dit moment geen inkomen uit arbeid. Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de vrouw verdiencapaciteit heeft om (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft op dit punt gesteld dat de vrouw geacht kan worden € 1.000,- netto per maand te verdienen. De rechtbank vindt het redelijk om ervan uit te gaan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft en kan benutten. Hoewel de vrouw tot op heden nog geen sollicitatiepogingen heeft ondernomen, is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om een betaalde baan de vinden, zodat zij in ieder geval deels in haar eigen levensonderhoud kan gaan voorzien. De vrouw is nog jong, 37 jaar, en naar het oordeel van de rechtbank hoeft de zorg voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] de vrouw niet te beperken in het vinden van (parttime) werk. De vrouw heeft tijdens de zitting zelf ook aangegeven dat zij wel wil gaan werken. Nu de vrouw op dit moment enkel haar Mavodiploma heeft en de vrouw heeft aangegeven graag een (vervolg)opleiding te willen gaan volgen, vindt de rechtbank het niet redelijk om meteen rekening te houden met een verdiencapaciteit van € 1.000,- netto per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk om de vrouw enige tijd te gunnen om een dergelijk inkomensniveau te bereiken. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande redelijk om nu uit te gaan van een verdiencapaciteit van € 500,- netto per maand en een jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand met een verdiencapaciteit van € 1.000,- netto per maand. Dit betekent dat de rechtbank als uitgangspunt neemt dat de vrouw op dit moment nog een behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud van (3.425 - 500 =) € 2.925,- netto per maand. Dit komt overeen met een bruto behoefte van € 5.031,- per maand. Een jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand heeft de vrouw nog een aanvullende behoefte van (3.425 - 1.000 =) € 2.425,- per maand. Dit komt overeen met een bruto behoefte van € 4.073,- per maand. Draagkracht man De man heeft geen draagkrachtverweer gevoerd, zodat ervanuit kan worden gegaan dat de man voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie van € 5.031,- bruto per maand respectievelijk € 4.073,- bruto per maand aan de vrouw te betalen. Aftrekbaarheid partneralimentatie De fiscale aftrekbaarheid van partneralimentatie wordt vanaf 2020 stapsgewijs (verder) verlaagd. De afbouw van het aftrekpercentage is – voor zover nu bekend – als volgt: 43% in 2021, 40% in 2022 en 37% in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.