Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 18-512 Zaaknummer: C/09/561775 Datum beschikking: 16 maart 2021 Beschikking op het op 17 oktober 2018 ingekomen verzoekschrift van: [Y] , verzoeker, wonende in Colombia, advocaat mr. H.L.M. Lichteveld te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door C.M. Meijer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift van de IND van 8 januari 2019; - de brief van 16 april 2020 van de zijde van de IND; - de brief van 28 mei 2020 van de zijde van verzoeker; - de brief van 3 juli 2020 van de zijde van verzoeker; - de brief van 10 augustus 2020 van de zijde van de IND; - de brief van 12 januari 2021 van de zijde van verzoeker met bijlagen; - de brief van 18 januari 2021 van de zijde van de officier van justitie. De officier van justitie heeft bij brief van 18 januari 2021 schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling. Op 19 januari 2020 is de zaak ter terechtzitting van deze behandeld, in de vorm van een digitale behandeling via Skype. Hierbij zijn verschenen: verzoeker; de advocaat van verzoeker; [naam tolk] - Van Eldik als tolk voor verzoeker; mr. C.M. Meijer namens de IND. Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen: - het bericht van 19 januari 2021 van de zijde van verzoeker, met daarbij de pleitaantekeningen als bijlage. Verzoek en onderbouwing Het verzoekschrift strekt ertoe bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair: vast te stellen dat verzoeker het Nederlanderschap onafgebroken bezat vanaf zijn geboorte tot heden en thans nog bezit; - subsidiair: vast te stellen dat verzoeker het Nederlanderschap bezat gedurende een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen periode, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aangevoerd. Verzoeker bezat vanaf zijn geboorte het Nederlanderschap. Voor zover verzoeker door tijdsverloop zijn Nederlanderschap op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1985 (hierna: RWN oud) heeft verloren, dient dit artikel buiten toepassing te blijven, omdat het verlies van het Nederlanderschap – en daarmee het verlies van het burgerschap van de Europese Unie (hierna: het Unieburgerschap) – voor verzoeker onevenredig is. Verzoeker voert daartoe onder meer aan dat artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud) niet de mogelijkheid bood om de verliestermijn van tien jaar te stuiten door verstrekking van een Nederlands reisdocument of verklaring van Nederlanderschap. Verzoeker had het verlies van het Nederlanderschap enkel kunnen voorkomen door tussen 1991 en 2001 zijn woonplaats te verplaatsen naar een plaats buiten Colombia. Door de Nederlandse autoriteiten is echter lange tijd de rechtsopvatting gehuldigd dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet bezat. Hierdoor is aan verzoeker de mogelijkheid ontnomen om zijn woonplaats te verplaatsen buiten Colombia. Verzoeker realiseerde zich immers niet dat hij de Nederlandse nationaliteit kon verliezen en wist niet wat hij verder had kunnen doen om dit verlies te voorkomen. Opteren voor het Nederlanderschap op grond van artikel van artikel 6, eerste lid en onder f, RWN is voor verzoeker niet mogelijk, aangezien hij in dat geval ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland moet hebben. Verder brengt verzoeker naar voren dat hij de intentie had, evenals zijn moeder, broers en zus, om zich in Nederland te vestigen, te studeren of te gaan werken en deze intentie was op het beoordelingsmoment bovendien voorzienbaar. Daarbij komt dat ook de kinderen van verzoeker de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen bij geboorte en verzoeker had zich graag met zijn kinderen in de Unie willen vestigen om hen een betere toekomst te geven. Bovendien gold op het beoordelingsmoment nog een visumplicht voor Colombianen en kon verzoeker dus niet zomaar de Unie inreizen om zijn familie te bezoeken. Daar komt bij dat een visumaanvraag zou zijn afgewezen wegens vestigingsgevaar, omdat verzoeker een Nederlandse vader en moeder heeft en een geringe economische binding met Colombia. Ook stelt verzoeker dat getoetst moet worden aan het nationale evenredigheidsbeginsel, waarbij niet alleen de Unierechtelijke gevolgen van belang zijn maar ook de gevolgen voor de rechten die verzoeker als Nederlander heeft. Tot slot beroept verzoeker zich op artikel V, eerste lid, van de Rijkswet tot wijziging van de RWN van 2003 (RRWN) en stelt hij dat hij binnen de in dat artikel genoemde termijn van twee jaar een schriftelijke verklaring heeft afgelegd ten aanzien van zijn verlies van het Nederlanderschap en hij op die grond het Nederlanderschap herkrijgt. Standpunt van de IND De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Verzoeker heeft bij zijn geboorte, naast de Colombiaanse, ook de Nederlandse nationaliteit verkregen op grond van bezit van staat. De Nederlandse nationaliteit is hij inmiddels verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud), nu verzoeker van 16 september 1991 tot 16 september 2001 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Colombia. De IND betwist daarbij dat het verlies van het Nederlanderschap in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zo was de mogelijkheid tot stuiting van de termijn onder RWN (oud) niet in de wet opgenomen, maar kon het Nederlanderschap alleen worden behouden door het hoofdverblijf, de woonplaats, te verplaatsen buiten het land van geboorte en waar men de nationaliteit van had. Niet betwist is dat een dergelijke verplaatsing niet heeft plaatsgevonden. Verder brengt de IND naar voren dat er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker op het verliesmoment voornemens was om naar Nederland te vertrekken en hij op dat moment gebruik wilde maken van rechten als Unieburger. Zo was verzoeker 28 jaar, verbleef zijn moeder – van wie hij overigens niet afhankelijk was – op het verliesmoment in Colombia en is niet gebleken van een studie waar verzoeker aan wilde gaan beginnen of van de omstandigheid dat zijn gezin in Nederland verbleef. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker is geraakt in het recht op uitoefening van zijn familie- en gezinsleven. Zo verbleef de moeder tijdens de minderjarigheid van verzoeker in Colombia en is er geen sprake van ‘more than the normal emotional ties’ met familie in Nederland. Bovendien is het reizen tussen Colombia en Nederland sinds 2 december 2015 visumvrij, hetgeen betekent dat reizen naar Nederland voor verzoeker nu geen probleem meer zou moeten opleveren. Voor zover verzoeker wenst dat aan een nationaal evenredigheidsbeginsel getoetst moet worden, merkt de IND op dat het Nederlandse recht een dergelijke toets niet kent. Voor zover verzoeker zich beroept op artikel V, eerste en tweede lid, van de RRWN, ziet de IND geen aanleiding tot toepassing van deze artikelleden. Immers, niet gebleken is dat er in de in het artikel genoemde periode een (bevestigde) optieverklaring is afgelegd of een paspoortaanvraag gedaan is die kan worden aangemerkt als een onvolledige optieverklaring. De aanvraag van de zus en het verzoek om informatie door een advocaat zijn onvoldoende om als een dergelijke aanvraag van verzoeker te worden aangemerkt. Ook is in de in het artikel genoemde periode geen paspoort of verklaring van Nederlanderschap verstrekt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij brief van 18 januari 2021 medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND. Feiten - Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] (Colombia) en werd op [geboortedatum] 1991 meerderjarig. Ten tijde van de geboorte van verzoeker had zijn moeder de Colombiaanse nationaliteit en zijn vader de Nederlandse nationaliteit. - De vader en de moeder van verzoeker zijn op [huwelijksdatum] 1976 te [huwelijksplaats] (Colombia) met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [scheidingsdatum] 1986 is ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van [beschikkingsdatum] 1985 in de registers van de burgerlijke stand in Den Haag. - In een brief van 24 augustus 1978 van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden is vermeld dat op 20 september 1977 aan de moeder van verzoeker een Nederlands paspoort is afgegeven. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit verkregen nadat zij met de vader van verzoeker, een Nederlands staatsburger, is gehuwd. - Op 19 april 1979 heeft de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden schriftelijk verklaard dat de moeder van verzoeker en haar kinderen, [Y] (verzoeker), [kind 1] en [kind 2] , de Nederlandse nationaliteit hebben. - Enkele jaren later heeft de Nederlandse ambassade het Nederlandse paspoort van de moeder ingenomen. De Nederlandse Staat heeft zich vervolgens jarenlang op het standpunt gesteld dat de moeder, verzoeker, [kind 1] en [kind 2] niet de Nederlandse nationaliteit hadden. - In 1994 is een onderzoek verricht door de Stichting International Social Service afdeling Nederland naar de nationaliteit van de moeder en haar kinderen. - In 1994, 1996 en 2000 zijn de kinderen van verzoeker geboren. - Op 18 april 2001 is aan de moeder van verzoeker in ieder geval weer een Nederlands paspoort afgegeven en zij heeft zich op 9 juli 2003 in Nederland gevestigd. - Op 5 december 2003 is de op 6 september 2003 in Parijs gedane aanvraag voor een Nederlands paspoort van de broer van verzoeker, [kind 1] , afgewezen. - Op 1 februari 2006 heeft een andere broer van verzoeker, [kind 3] , bij de Nederlandse ambassade te [plaatsnaam] , Colombia, een visumaanvraag gedaan. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 2 februari 2006, om de reden dat geen zekerheid is verkregen over het uiteindelijke reisdoel dat aan de visumaanvraag ten grondslag ligt. Hierdoor bestond volgens de ambassade onvoldoende zekerheid dat hij tijdig zou terugkeren naar zijn land van herkomst dan wel zou doorreizen naar een derde land. - In de brief van 5 juni 2006 van de Nederlandse ambassade te [plaatsnaam] , Colombia, staat vermeld dat de paspoortaanvraag van verzoeker niet in behandeling kan worden genomen. Niet is aangetoond dat tussen verzoeker en zijn vader sprake is van een familierechtelijke betrekking die in Nederland kan worden erkend waardoor hij het Nederlanderschap zou hebben verkregen. In het geval hij wel door geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen geldt dat hij het zou hebben verloren op 16 september 2001 op grond van artikel 15, aanhef en onder c (oud) RWN. Aan verzoeker is immers nimmer een Nederlands paspoort verstrekt en hij heeft ook geen optieverklaring afgelegd voor 1 april 2005 ex artikel V, eerste lid RRWN. - Bij beschikking van 10 december 2009 heeft deze rechtbank vastgesteld dat de broer van verzoeker, [kind 1] , wegens het bezit van staat overeenkomstig de opgemaakte Colombiaanse geboorteakte heeft te gelden als wettige zoon van de vader van verzoeker die steeds de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten en dat [kind 1] dus in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. - Bij brief van 2 februari 2010 heeft de IND alsnog bevestigd dat verzoeker bij zijn geboorte het Nederlanderschap heeft gekregen. In de brief is wel vermeld dat het de vraag is of verzoeker het Nederlanderschap nog steeds bezit. - Bij brief van 20 mei 2011 heeft de IND aan de advocaat van verzoeker bericht dat verzoeker op grond van artikel 15 aanhef en onder c RWN 1985 de Nederlandse nationaliteit van rechtswege heeft verloren op 16 september 2001. Er was voor hem geen sprake van een herstelmogelijkheid van een paspoortaanvraag in de vorm van een optieverklaring ex artikel V lid 1 RRWN, omdat hij tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 geen schriftelijke paspoortaanvraag heeft ingediend. Beoordeling In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Tussen partijen staat vast dat verzoeker bij zijn geboorte in Colombia op 16 september 1973 de Colombiaanse en de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Ook staat vast dat verzoeker op 16 september 1991 meerderjarig is geworden en sinds die datum in ieder geval tien jaar ononderbroken in Colombia heeft gewoond. Hij woont daar op dit moment nog steeds. In dit geval is toepasselijk artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud). Tussen partijen staat vast dat de verliestermijn van tien jaren is aangevangen op het moment dat verzoeker meerderjarig is geworden. Dit betekent dat de verliestermijn op 16 september 2001 is verstreken. Er is, anders dan verzoeker meent, geen reden om artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud) buiten toepassing te laten wegens strijd met het bepaalde in artikel 7 Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). De rechtbank verwijst naar hetgeen de Hoge Raad hierover heeft overwogen in zijn arrest van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:766, rechtsoverwegingen 3.5.2-3.5.4. Het beroep van verzoeker op artikel V lid 2 Rijkswet tot wijziging van de RWN van 2003 treft evenmin doel. Immers is verzoeker in Colombia geboren, was hij naast het Nederlanderschap tevens in het bezit van de Colombiaanse nationaliteit en heeft hij vanaf zijn meerderjarigheid tien jaren onafgebroken woonplaats gehad in Colombia. Bovendien staat vast dat hem tussen 1 januari 1990 en 16 september 2001 geen reisdocument in de zin van de Paspoortwet of een bewijs van Nederlanderschap is verstrekt. Verder is niet komen vast te staan dat verzoeker op de voorgeschreven wijze in persoon een schriftelijke paspoortaanvraag heeft gedaan in de periode april 2003-1 april 2005, die gelijk gesteld zou kunnen worden aan een optieverklaring. Ook een beroep op artikel V lid 1 Rijkswet tot wijziging van de RWN van 2003 kan verzoeker niet baten. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verzoeker van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren op 16 september 2001. Unierechtelijke evenredigheidstoets De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 april 2020, (ECLI:NL:HR:2020:593), voor zover van belang, het volgende overwogen: “3.5 Hetgeen hiervoor (…) is overwogen, komt in de kern erop neer dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar Suriname terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond (…) om de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.