← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:4689

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.3596 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J. de Jong), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Remerie). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de voorlopige voorziening NL21.3597, plaatsgevonden op 31 maart 2021 in Dordrecht. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum eiser].
  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Op 19 januari 2021 heeft Nederland bij Slovenië een terugnameverzoek gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
  3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. 3.
  4. Als blijkt dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, wordt er in beginsel van uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedures en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579). 3.
  5. Verweerder heeft de rechtbank bij bericht van 17 maart 2021 te kennen gegeven dat eiser op 12 maart 2021 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarbij is verwezen naar een uitdraai van een melding in het systeem van verweerder dat eiser voor de vertrektermijn met onbekende bestemming is vertrokken. Niet is gebleken dat de gemachtigde van eiser op dit moment nog contact met eiser onderhoudt. Eiser en diens gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen en hebben ook niet laten weten dat eiser ondanks genoemde melding nog in Nederland verblijft en prijs stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
  6. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. P.R. de Man, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.