← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:5020

Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/609432 / JE RK 21-673 Datum uitspraak: 4 mei 2021 Beschikking van de kinderrechter Opheffing ondertoezichtstelling in de zaak naar aanleiding van de op 22 maart 2021 ingekomen verzoekschriften van: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, betreffende: - [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de man] hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 1] , [de vrouw] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 2] . Het procesverloop De kinderrechter heeft kennisgenomen van de verzoekschriften. Op 4 mei 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: de heer [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling; de moeder. De vader is conform de wettelijke vereisten opgeroepen, maar niet verschenen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 4 mei 2021 apart van elkaar in raadkamer gehoord. Feiten Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven feitelijk bij de moeder. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 13 augustus 2020 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 22 augustus 2020 tot 22 augustus

  1. Verzoek Het verzoekt strekt tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd met als doel om het contact tussen de vader en de kinderen te onderhouden. In mei 2019 zijn de bezoeken formeel gestopt en is er een tijd geen contact geweest. Sinds eind 2020 is er op initiatief van [minderjarige 1] weer contact met de vader. Dit contact verloopt positief en de kinderen weten wat ze van de vader kunnen verwachten en hoe ze daar mee om moeten gaan. De gecertificeerde instelling heeft geen zicht op het contact, omdat de betrokkenheid van de jeugdbeschermer averechts werkt. De kinderen hebben zich positief ontwikkeld. Er zijn wel nog zorgen over het emotionele welbevinden van [minderjarige 1] , maar hiervoor zoekt ze samen met de moeder naar passende hulpverlening. [minderjarige 2] heeft gewerkt aan zijn trauma’s en het omgaan met zijn boosheid. Naast zijn behandeling is er ook gezinscoaching geweest, waardoor de communicatie en het maken van afspraken met de moeder beter verloopt. De jeugdbeschermer heeft een borgingsplan gemaakt met de moeder waarmee de moeder zelf passende hulpverlening weet te vinden als dit nodig is. De gecertificeerde instelling heeft er vertrouwen in dat men zonder ondertoezichtstelling verder kan en het gedwongen kader niet langer nodig is. De gecertificeerde instelling verzoekt daarom om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te heffen. De moeder heeft ingestemd met het verzochte. Ze heeft verklaard dat het goed gaat met de kinderen en het contact met de vader goed verloopt. [minderjarige 2] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt sinds hij schrijftherapie volgt en [minderjarige 1] zit op haar plek op school. De moeder heeft een psycholoog geregeld voor [minderjarige 1] , zodat ze een neutraal persoon heeft om mee te praten. Beoordeling De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling thans niet meer aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich positief hebben ontwikkeld. [minderjarige 1] doet het goed op school en krijgt hulp van een psycholoog. [minderjarige 2] is dankzij de Junior Write Therapy van Impegno toegekomen aan het verwerken van zijn trauma’s en het omgaan met zijn boosheid, waardoor hij zich beter kan uiten. Ook verloopt de communicatie met de moeder beter dankzij de inzet van gezinscoaching. Inmiddels is er op initiatief van [minderjarige 1] weer contact met de vader. Het systeem lijkt goed in staat om de contacten zelf in te richten. De kinderen zijn positief over het contact en weten wat ze van de vader kunnen verwachten. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het gedwongen kader niet langer noodzakelijk is. De gecertificeerde instelling heeft een borgingsplan met de moeder opgesteld en het gezin zal zelf de weg naar passende hulpverlening kunnen vinden wanneer er nieuwe zorgen ontstaan. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom opheffen. Daarom zal als volgt worden beslist. Beslissing De kinderrechter: heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.A.H. Schoorl als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 mei
  2. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.