RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: NL21.7616, NL21.7617, NL21.7618, NL21.7619 en NL21.7492 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam] , geboren op [geboortedag] 1957, [V-nummer] , [naam] , geboren op [geboortedag] 1989, [V-nummer] , [naam] , geboren op [geboortedag] 1995, [V-nummer] , [naam] , geboren op [geboortedag] 1953, [V-nummer] , allen van Afghaanse nationaliteit, [naam] , geboren op [geboortedag] 1999, [V-nummer] , tezamen: eisers (gemachtigde: mr. H.A. Limonard), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 16 februari 2021 aan eisers de maatregelen van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregelen duurt nog voort. Eisers hebben tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij hebben zij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft voortgangsrapportages overgelegd. Eisers, met uitzondering van [naam] , hebben hierop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Daarop is het onderzoek op 21 mei 2021 gesloten. Overwegingen 1. Gelet op de inhoud van de dossiers en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregelen van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 april 2021 (in de zaken NL21.5958, NL21.5960, NL21.5961, NL21.5962 en NL21.5959) volgt dat de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 28 april 2021 de maatregelen van bewaring rechtmatig is. 3. Eiser [naam] (NL21.7492) heeft in het beroepsschrift aangevoerd dat vanaf 13 mei 2021 de voortduring van de maatregel onrechtmatig moet worden geacht omdat er een zogenaamde Chavez-aanvraag zou zijn gedaan. De rechtbank overweegt dat deze grond niet slaagt. Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage van 18 mei 20201 blijkt dat de gemachtigde op 13 mei 2021, na de aankondiging hiervan per e-mail, te kennen heeft gegeven dat hij een volledig aanvraagformulier zou nazenden maar dat dit op 18 mei 2021 nog steeds niet is ontvangen door de IND en dat de advocaat hierover in kennis is gesteld. In de rapportage is vermeld dat de gemachtigde heeft aangegeven dit alsnog te doen. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde niet heeft gereageerd op de voortgangrapportage in het algemeen en ook niet op deze specifieke reactie op zijn (enige) beroepsgrond in deze zaak. De rechtbank gaat uit van de meest actuele informatie van verweerder die dus niet is weerlegd of aangevuld door eiser. De rechtbank concludeert dat de beroepsgrond niet slaagt omdat niet aannemelijk is gemaakt of anderszins is gebleken dat er een zogenaamde Chavez-aanvraag is gedaan. 4. De overige eisers voeren aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. 5. De rechtbank overweegt dat de voortgangsrapportage van verweerder zijn ondertekend op 20 mei 2021 maar de laatste mutaties zijn van 22 april 2021 (NL21.7616 “vertrekgesprek gevoerd op 29 maart 2021”), 26 april 2021 (NL21.7617 “gesproken met broers maar blijven PCR-test weigeren”), 7 mei 2021 (NL21.7618 “reactie van DT&V DIA Bijzonder Vertrek dat zonder afname PCR-test kan niet worden gevlogen”) en 22 april 2021 (NL21.7618 “vertrekgesprek gevoerd op 29 maart 2021”). 6. De rechtbank verwijst voor de beoordeling van rechtmatigheid van de voortduring van de detentie naar de uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 11 mei 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:4842). Verweerder heeft tegen deze uitspraak op 19 mei 2021 hoger beroep ingesteld. Het had evenwel op de weg van verweerder gelegen om in de voortgangrapportage of een nader bericht na instellen van de volgberoepen tegen de voortduring van deze maatregelen van bewaring te motiveren waarom zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Verweerder heeft geen enkele informatie verschaft over de handelingen die thans, al dan niet door de Kmar, zijn of worden verricht om feitelijke uitzettingen (weer) mogelijk te maken, terwijl op 12 mei 2021 door verweerder in de zaak waarop bovengenoemde uitspraak betrekking heeft is aangegeven dat verwacht wordt dat over ongeveer een maand (na 12 mei 2021) gevlogen kan worden. De rechtbank beschikt niet over informatie, verstrekt door verweerder en/of ambtshalve bekend, dat er enige handelingen zijn verricht om gedwongen vertrek naar Afghanistan te realiseren. De rechtbank heeft verweerder niet in de gelegenheid gesteld om te reageren om de heden ingediende beroepsgronden. Het is aan verweerder om te onderbouwen dat de (voortduring van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.