← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:5248

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.5337 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer [nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Kwee), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Vissers). Procesverloop Bij besluit van 8 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast wordt eiser een vertrektermijn onthouden en dient hij Nederland onmiddellijk te verlaten. Het inreisverbod dat is opgelegd door de Belgische autoriteiten blijft gehandhaafd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.5338, plaatsgevonden op 12 mei

  1. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum eiser] .
  3. Op 24 januari 2021 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Hieraan legt hij ten grondslag dat hij in Marokko in armoede leefde en daarom zijn leven wilde verbeteren. Door armoede kreeg hij niet altijd de kans om naar school te gaan en als hij naar school ging werd hij onderdrukt en mishandeld door racistische docenten. Ook stelt eiser in de periode 1999 - 2004 meerdere malen te zijn mishandeld door de Marokkaanse politie, omdat hij Marokko illegaal probeerde te verlaten. Daarnaast legt hij aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat Marokko corrupt is. Mede daarom had het geen nut om aangifte te doen in het land van herkomst.
  4. Verweerder onderscheidt de volgende relevante elementen: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - bejegening door de Marokkaanse autoriteiten, zoals de mishandelingen; - bejegening door docenten op school, zoals de mishandelingen. Eisers nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. Zijn identiteit en de gestelde bejegening door de Marokkaanse autoriteiten en door de docenten op school zijn niet geloofwaardig bevonden. De sociaal-economische problemen die eiser ten grondslag heeft gelegd aan zijn asielaanvraag zijn door verweerder niet getoetst op geloofwaardigheid, omdat deze geen raakvlakken hebben met het vluchtelingschap. Daarnaast stelt verweerder dat in zijn algemeenheid afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, omdat uit informatie van Zweden en Denemarken is gebleken dat hij aldaar bekend is onder ander personalia en omdat hij inconsistent heeft verklaard over zijn reden van vertrek. In het politieverhoor en het Dublingehoor verklaart eiser dat hij in Marokko met de dood is bedreigd. Eiser heeft hier niets over gezegd in het veilig land gehoor (VLG), terwijl hij voldoende in de gelegenheid is gesteld om toevoegingen aan zijn relaas in te brengen of om andere redenen van vertrek naar voren te brengen. Daarnaast heeft eiser vaag en wisselend verklaard ten aanzien van de gestelde mishandelingen door de politie en de gestelde bejegening door docenten. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft Marokko aangewezen als veilig land van herkomst en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is.
  5. Eiser verzoekt de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. 3.
  6. De rechtbank overweegt dat de verwijzing naar de zienswijze met het verzoek die als herhaald en ingelast te beschouwen, onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser en met dit verzoek geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet toereikend is. De rechtbank gaat daarom aan dit verzoek voorbij.
  7. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet medisch is onderzocht terwijl daar wel aanleiding voor bestond. Hij is op jonge leeftijd gevlucht uit Marokko en zwerft al ruim achttien jaar rond in Europa. Eiser leidt aan psychische problemen, die zich uiten in zelfbeschadiging en suïcidale gedachten. Daardoor bestaat de gerede kans dat hetgeen hem is overkomen invloed heeft op de mate waarin hij in staat is om gedetailleerde verklaringen af te leggen, aldus eiser. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1381, stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder in strijd handelt met artikel 24 van de Procedurerichtlijn door hem een medisch onderzoek te onthouden. 4.
  8. In opdracht van verweerder onderzoekt Medifirst (vervangt sinds 1 maart 2021 FMMU) of er medische factoren zijn die de vreemdeling beperken in het horen en verklaren en of er medische problemen zijn die gevolgen kunnen hebben voor het gehoor en de interpretatie van de verklaringen van de vreemdeling. In artikel 3.109ca, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) staat welke procedurele waarborgen niet van toepassing zijn wanneer een aanvraag vermoedelijk kennelijk ongegrond wordt verklaard met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De vreemdeling wordt in zo een geval ook geen medisch onderzoek geboden (zie artikel 3.109, zesde lid, van het Vb). 4.
  9. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser ten onrechte geen medisch onderzoek is aangeboden en dat hij door het achterwege blijven hiervan is benadeeld. Zowel voorafgaand als gedurende het aanmeldgehoor zijn geen beperkingen kenbaar gemaakt die erop duiden dat eiser niet in staat is om een consistente en gerichte verklaring af te leggen. In het aanmeldgehoor verklaart eiser dat hij zich lichamelijk en geestelijk in staat voelt om het gehoor plaats te laten vinden. Daar voegt hij aan toe dat hij denkt dat uit een medisch onderzoek zal blijken dat hij niet gezond is. Hij stelt onder meer last te hebben van zijn maag, flauw te vallen en te trillen als hij een aanval krijgt. Daarop reageert de gehoorambtenaar met de opmerking dat hij naar het GZA kan gaan als hij klachten ontwikkelt. Aan eiser is vervolgens nogmaals gevraagd of hij zich lichamelijk in staat voelt om dit gesprek te voeren, waarop hij verklaart dat als hij zich niet goed voelt, hij dit gesprek gaat doen. Naar aanleiding van dit enigszins onduidelijke antwoord is de vervolgvraag gesteld of eiser zich geestelijk in orde voelt, waarop hij bevestigend antwoordt. Gedurende het gehoor blijkt meerdere malen dat eiser zijn stem verheft, dat hem moet worden verzocht om gericht antwoord te geven op de vragen (zie bijvoorbeeld pagina 2, 7, 9, 10) en dat discussies ontstonden tussen hem en de gehoorambtenaar (zie bijvoorbeeld pagina 2, 7, 8 en 10). Uit het verslag van het gehoor blijkt echter niet dat eiser niet in staat is geweest om een adequate verklaring af te leggen. Ook uit het verslag van het VLG-gehoor blijkt niet dat eiser onmiskenbaar niet in staat was om zijn asielrelaas naar voren te brengen. Naast dat eiser verklaart dat hij kerngezond is en in staat is om dit gehoor plaats te laten vinden, verklaart hij dat hij zichzelf verwondt, laat hij een litteken op zijn arm zien en vertelt hij dat hij paranoia is geworden (pagina 2 en 4). Echter blijkt uit zowel het VLG- als het aanmeldgehoor niet dat hij onsamenhangend of warrig heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zich in beide gehoren geen indicaties voordeden op basis waarvan medisch advies had moeten worden gevraagd. Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s- Hertogenbosch, ziet de rechtbank in dit geval geen reden voor een andersluidend oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
  10. Eiser voert aan dat verweerder Marokko ten onrechte aanmerkt als veilig land van herkomst. Primair stelt eiser dat Marokko in zijn algemeenheid niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd, omdat de herbeoordeling van Marokko als veilig land van herkomst onzorgvuldig is en onvoldoende is gemotiveerd. Ter onderbouwing verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  11. Volgens eiser heeft verweerder bij de herbeoordeling niet de juiste bronnen gebruikt. Daarnaast betoogt eiser dat Marokko in zijn individuele geval niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder de mishandelingen door de Marokkaanse autoriteiten en de slechte bejegening ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Onder verwijzing naar een brief van documentalist [naam] van Vluchtelingenwerk Nederland van 13 april 2021 stelt eiser dat Marokko corrupt is en onvoldoende bescherming biedt, waardoor het geen zin heeft om hiertegen in Marokko bescherming in te roepen. 5.
  12. In 2016 heeft verweerder Marokko op basis van algemene landeninformatie aangewezen als veilig land van herkomst. Bij uitspraken van onder meer 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:209 en ECLI:NL:RVS:2017:210) en de uitspraak van 19 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:902) heeft de Afdeling geoordeeld dat deze aanwijzing terecht is. Op 30 september 2020 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden en is deze aanwijzing voortgezet. 5.1.
  13. In de Afdelingsuitspraak van 7 april 2021 was de vraag aan de orde of de manier waarop verweerder de situatie van als veilige landen van herkomst aangewezen landen herbeoordeelt, in overeenstemming is met artikel 37 van de Procedurerichtlijn en artikel 3.105ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Naar aanleiding van deze uitspraak heeft inmiddels een herbeoordeling plaatsgevonden op 6 mei
  14. In die herbeoordeling is de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst wederom voorgezet, met de toevoeging van enkele nieuwe uitzonderingsgroepen. Bij de herbeoordeling heeft verweerder geen gebruik gemaakt van de in artikel 37, derde lid, van de Procedurerichtlijn genoemde bronnen. Verweerder heeft toegelicht dat er geen actuele rapportages zijn gevonden van het EASO, de UNHCR of de Raad van Europa die bruikbaar zijn voor de herbeoordeling. Uit de toelichting die als bijlage is toegevoegd aan de brief Herbeoordeling veilige landen van herkomst Georgië, Marokko en Tunesië, blijkt dat de herbeoordeling is gebaseerd op relevante, actuele bronnen van andere gezaghebbende instanties, waaronder Amnesty International, Freedom House, Human Rights Watch en US State Department. Verweerder motiveert onder verwijzing naar deze bronnen dat niet is gebleken dat er een achteruitgang is in Marokko op gebied van democratisch bestuur en bescherming van het recht op vrijheid en veiligheid van de persoon. Hoewel qua vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging restricties zijn als gevolg van de coronamaatregelen, zijn deze restricties niet aanmerkelijk. Ook verder is niet gebleken van aanzienlijke achteruitgang. 5.
  15. Eiser heeft de herbeoordeling van 6 mei 2021 niet inhoudelijk betwist. De rechtbank constateert dat de door hem bedoelde bronnen, in ieder geval gedeeltelijk, zijn betrokken bij de beoordeling. In hetgeen eiser stelt ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de herbeoordeling van Marokko als veilig land van herkomst, van 6 mei 2021 niet in overeenstemming is met artikel 37, derde lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb. 5.
  16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op het voorgaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat Marokko in zijn algemeenheid als veilig land van herkomst is aan te merken. Dit betekent dat er een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat vreemdelingen uit Marokko geen bescherming nodig hebben. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Marokko voor hem geen veilig land van herkomst is en dat de Marokkaanse autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden. 5.
  17. Verweerder acht de negatieve bejegening en mishandeling door de docenten en de Marokkaanse autoriteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig. Ten aanzien van de docenten maakt eiser in zijn verklaringen niet inzichtelijk op welke wijze en hoe vaak hij slecht is bejegend of mishandeld. Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn stelling dat hij is mishandeld door de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder werpt eiser niet ten onrechte tegen dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring, omdat hij op de vraag hoe vaak hij is mishandeld aanvankelijk verklaart dat hij niet kan zeggen hoe vaak hij is mishandeld terwijl hij op de vervolgvraag of hij een indicatie kan geven, verklaart dat hij dagelijks werd mishandeld. Een dergelijke verklaring bevreemdt omdat niet valt in te zien waarom eiser dit niet eerste instantie heeft verklaard. Een dagelijkse mishandeling kan hem immers niet zijn ontgaan. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de autoriteiten onvoldoende bescherming bieden, omdat zij corrupt zijn. Uit de overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland blijkt dat zich situaties hebben voorgedaan waarbij martelingen door veiligheidsdiensten hebben plaatsgevonden of waarbij excessief geweld is gebruikt door de autoriteiten. Hieruit volgt echter niet dat het voor hem niet mogelijk is om, daar waar misstanden zich voordoen, aangifte te doen of dat het niet mogelijk is om de bescherming van de Marokkaanse autoriteiten in te roepen. Niet is gebleken dat eiser tevergeefs aangifte heeft gedaan of dat hij dit niet heeft kunnen doen. De verklaring dat hij met aangifte bij de politie niets zal bereiken, is gebaseerd op een aanname en blijkt verder ook niet uit voornoemde brief. De beroepsgrond slaagt niet.
  18. De slotsom is dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond.
  19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.R. de Man, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.