RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage CB/c Rolnr.: 8735610 RL EXP 20-15607 1 juni 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: werknemer, gemachtigde: [gemachtigde] , tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.], statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [naam B.V.] , gemachtigde: mr. D.J. Borsboom (EBH Legal). 1Het procesverloop 1.1 De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: de dagvaarding van 24 augustus 2020 met 19 producties (nrs. 1 tot en met 19); de conclusie van antwoord van 26 november 2020; de akte tot ‘repliek’ en wijziging van eis van 5 februari 2020 met een aanvullende productie (nr. 20); de akte na comparitie aan de zijde van werknemer van 6 april 2021 met negen producties (nrs. 22 tot en met 30); de akte na comparitie aan de zijde van [naam B.V.] van 4 mei 2021 met twee producties (nrs. 1 en 2). 1.2 Op 5 februari 2021 heeft de mondelinge behandeling in de zaak plaatsgevonden. Daarbij is werknemer in persoon verschenen samen met zijn gemachtigde. Namens [naam B.V.] is de [betrokkene] verschenen alsmede de gemachtigde van [naam B.V.] . Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt die zich in het griffiedossier bevinden. Een schikking is niet bereikt. 1.3 Uiteindelijk is vonnis bepaald op heden 2De feiten 2.1 Met ingang van 1 oktober 2018 is werknemer, geboren op [geboortedag] 1979, in dienst van [naam B.V.] als [functie] . 2.2 Op 28 november 2019 is werknemer als gevolg van een arbeidsongeval uitgevallen. Zijn arbeidsongeschiktheid duurt thans nog voort. 2.3 De arbeidsovereenkomst tussen werknemer en [naam B.V.] is niet schriftelijk vastgelegd. 2.4 Het aanvangssalaris van werknemer op 1 oktober 2018 bedroeg € 2.517,77 bruto per maand, exclusief emolumenten. 2.5 [naam B.V.] is actief op het terrein van het beroepsgoederenvervoer. 2.6 De CAO voor het Beroepsgoederenvervoer (hierna: de CAO) is vanaf 17 oktober 2017 tot en met 31 december 2019 en van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 algemeen verbindend verklaard geweest en in die periode waren zowel werknemer als [naam B.V.] gebonden aan de bepalingen van die CAO. 3De vordering 3.1 Werknemer vordert, na twee wijzigingen van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [naam B.V.] te veroordelen: (1.) tot betaling aan werknemer van primair € 12.186,33, subsidiair € 9.759,19 bruto ten titel van loon over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2019; (2.) tot betaling aan werknemer van€ 976,08 bruto ten titel van aanvulling bij arbeidsongeschiktheid over de periode van 28 november 2018 tot en met 31 december 2019; (3.) tot betaling aan werknemer van€ 1.141,19 bruto ten titel van loon over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020; (4.) tot betaling aan werknemer van € 91,30 bruto ten titel van vakantietoeslag over het tekort aan loon over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020; (5.) tot betaling aan werknemer van € 12.094,32 bruto ten titel van toeslagen op het door te betalen loon bij arbeidsongeschiktheid over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020; (6.) tot betaling aan werknemer van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over de onder sub 1 tot en met sub 5 gevorderde bedragen; (7.) tot afgifte aan werknemer van een deugdelijke bruto/netto specificatie over de onder sub 1 tot en met sub 5 genoemde bedragen; (8.) tot betaling aan werknemer van de wettelijke rente over de onder sub 1 tot en met sub 5 gevorderde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening; (9.) tot vergoeding aan werknemer van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.019,93; (10.) in de kosten van het geding, inclusief het salaris van de gemachtigde; (11.) tot betaling aan werknemer van de nakosten ad € 100,-, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van deze betekening. 3.2 Aan zijn vordering legt werknemer enerzijds ten grondslag dat voor de periodes dat de CAO algemeen verbindend verklaard was [naam B.V.] de bepalingen van deze CAO had moeten toepassen, hetgeen [naam B.V.] niet gedaan heeft, en dat anderzijds voor de periodes dat de CAO niet algemeen verbindend verklaard was de bepalingen van de CAO niettemin dienen te worden toegepast, omdat de CAO geacht moet worden te zijn geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomst van werkgever met [naam B.V.] . 4Het verweer 4.1 [naam B.V.] voert verweer tegen de vordering van werknemer, welk verweer er – kortgezegd – op neerkomt dat tussen partijen geen (schriftelijke) arbeidsovereenkomst bestaat op grond waarvan aangenomen kan worden dat de bepalingen van de CAO ook buiten de periodes dat deze algemeen verbindend verklaard was, moet worden toegepast op de arbeidsverhouding met werknemer. 5De beoordeling Het incorporatiebeding 5.1 Als meest verstrekkende verweer van [naam B.V.] zal de kantonrechter eerst beslissen op de vraag of op de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en [naam B.V.] door middel van een ‘incorporatiebeding’ de CAO van toepassing is, buiten de periodes dat de CAO algemeen verbindend verklaard was. 5.2 Naar het oordeel van de kantonrechter is tussen partijen geen incorporatiebeding overeengekomen en daartoe acht de kantonrechter het volgende redengevend. 5.3 Tussen partijen staat niet ter discussie dat geen schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen is getekend. Op 1 oktober 2018 is werknemer bij [naam B.V.] in dienst getreden en daarna heeft het tot eind 2019 geduurd voordat de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde (schriftelijke) arbeidsovereenkomst aan werknemer ter ondertekening is voorgelegd. 5.4 Naar eigen zeggen van werknemer is deze arbeidsovereenkomst niet door hem ondertekend, omdat deze niet volledig zou beantwoorden aan de mondeling overeengekomen arbeidsvoorwaarden (punt 3 van de inleidende dagvaarding). Werknemer vermeldt daarbij niet op welke punten deze arbeidsovereenkomst niet beantwoordt aan hetgeen mondeling zou zijn overeengekomen. Niettemin had het naar het oordeel van de kantonrechter juist op de weg van werknemer gelegen om aan te geven op welke punten hij iets anders zou zijn overeengekomen dan in de concept-arbeidsovereenkomst is bepaald. Dit is met name van belang, omdat de arbeidsovereenkomst als gevolg van het incorporatiebeding een ‘minimum’-karakter krijgt en werknemer blijkbaar meent op zekere punten gunstiger arbeidsvoorwaarden te hebben bedongen dan de CAO bepaalt. Daartegenover stelt [naam B.V.] dat werknemer niet simpelweg kan stellen dat een incorporatiebeding is overeengekomen, los van de vraag of partijen over de overige punten al dan niet overeenstemming hebben bereikt. De concept-arbeidsovereenkomst was een ‘package deal’. Dat geen overeenstemming is bereikt over alle arbeidsvoorwaarden betekent in de beleving van [naam B.V.] dan ook dat ook individuele elementen (zoals het incorporatiebeding) niet als overeengekomen kunnen worden beschouwd. In ieder geval is [naam B.V.] het niet met werknemer eens dat partijen de bedoeling hadden, los van het overige, een incorporatiebeding overeen te komen. 5.5 De kantonrechter volgt [naam B.V.] in deze stellingname. De aan werknemer voorgelegde arbeidsovereenkomst is niet door werknemer aanvaard. Daarmee kan de tekst van deze overeenkomst niet doorslaggevend zijn ten aanzien van hetgeen partijen hebben afgesproken. Vanwege de betwisting door [naam B.V.] dat, los van het overige, een incorporatiebeding is overeengekomen, had het op de weg van werknemer gelegen om zijn stellingen op dat punt nader te onderbouwen, maar dat heeft werknemer niet gedaan. 5.6 Het voorgaande betekent dat afgezien van de periodes dat de CAO algemeen verbindend verklaard was, partijen over en weer geen rechten kunnen ontlenen aan de bepalingen van de CAO. Daarbij zal er ook geen sprake zijn van enige nawerking van de bepalingen van de CAO, ook al omdat [naam B.V.] een ‘ongebonden werkgever’ (zie punt 8 van de akte na comparitie van 4 mei 2021) is, en dus niet als contractpartij of als lid van een werkgeversvereniging gebonden is aan de bepalingen van de CAO. 5.7 Het voorgaande betekent ook dat over de periodes dat de CAO verbindend verklaard was, [naam B.V.] de bepalingen van de CAO moest toepassen, maar dat wat betreft de overige periodes, voor zover partijen niet anders zijn overeengekomen, partijen terugvallen op de bepalingen van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat partijen feitelijk alleen een aanvangssalaris zijn overeengekomen, zal voor de beoordeling van verschillende elementen van de vordering van werknemer het antwoord gevonden moeten worden in de bepalingen van het BW. 5.8 Vanaf de datum van indiensttreding van werknemer bij [naam B.V.] tot en met 31 december 2019 was de CAO algemeen verbindend verklaard. Zoals uit punt 7 van de conclusie van antwoord volgt verzet [naam B.V.] zich niet (langer) tegen het feit dat het salaris van werknemer over die periode € 2.670,89 bruto per maand bedroeg. Omdat werknemer vanaf 28 november 2019 arbeidsongeschikt is, heeft hij vanaf die datum geen recht op salaris, maar op ziekengeld. 5.9 Over de periode dat werknemer tijdens de algemeen verbindend verklaring van de CAO werkzaamheden verrichtte, dus van 17 oktober 2019 tot 28 november 2019, dient hij te ontvangen waar hij op grond van de CAO recht op had. Dat betekent dat hij recht heeft op heeft op betaling van het basissalaris en de gewerkte overuren. Over de periode dat hij arbeidsongeschikt was, dus van 28 november 2019 tot en met 31 december 2019 en van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 had werknemer recht op ziekengeld. Over de periodes dat de CAO algemeen verbindend verklaard was heeft werknemer recht op ziekengeld dat op de voet van artikel 16 van de CAO dient te worden berekend. De standplaats 5.10 Met betrekking tot de uit te betalen overuren verschillen partijen van mening over de vraag welke plaats is aan te merken als de ‘standplaats’ van werknemer, zulks met het oog op het feit dat de reistijd van en naar de standplaats niet als werktijd (en dus ook niet als overwerk) wordt aangemerkt. 5.11 Uitgaande van artikel 3 onder 7 van de CAO, dat in ieder geval algemeen verbindend was over de periode dat werknemer nog niet arbeidsongeschikt was, is de definitie van standplaats: het terrein waar de werkgever gewoonlijk zijn arbeid uitoefent of het terrein waar de garage der onderneming is gelegen, dan wel waar deze zijn vervoermiddelen stalt of behoort te stallen. 5.12 [naam B.V.] heeft, onweersproken door werknemer, gesteld dat zij bij haar kantoor in [kantoorplaats] geen parkeermogelijkheden voor haar vrachtwagens heeft, maar dat zij daartoe een parkeerterrein of -faciliteiten heeft gehuurd in Rotterdam-Botlek. Dat terrein is dus op grond van artikel 3 onder 7 van de CAO als de standplaats van werknemer aan te merken. 5.13 Dat [naam B.V.] het toestond dat werknemer zijn als dan niet geladen vrachtauto mocht parkeren op een plek in de buurt van zijn woonhuis mag zo zijn, maar zonder nadere overeenkomst (in de zin dat partijen een afwijking van de definitie van standplaats in de CAO zijn overeengekomen) wordt die parkeerplek in de buurt van werknemers woonhuis nog niet de ‘standplaats’. De feitelijke parkeerplek van de vrachtauto is niet ook de juridische standplaats in de zin van de CAO. 5.14 Het voorgaande betekent dat de reistijd van en naar de parkeerfaciliteiten van [naam B.V.] in Rotterdam-Botlek niet als werktijd heeft te gelden. Die constatering heeft voor beide partijen voor- en nadelen, die naar het oordeel van de kantonrechter per saldo grosso modo tegen elkaar wegvallen. In sommige gevallen zal werknemer c.q. [naam B.V.] een voordeel hebben, afhankelijk van waar de eerstvolgende laad- of losadressen van de vrachtauto die werkgever bestuurde gelegen waren. De kantonrechter acht het billijk deze mogelijke voor- of nadelen tegen elkaar te laten wegvallen en dat telkens de reistijd [woonplaats] – Rotterdam-Botlek als woon/werkverkeer en dus niet als werktijd is aan te merken. Daarmee kiest de kantonrechter derhalve voor mogelijkheid 2 uit punt 7 van de akte na comparitie van [naam B.V.] van 6 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.