← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:6053

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 16 juni 2021 in zaak C/09/437955 / HA ZA 2013-210 van 1FKP SOJUZPLODOIMPORT, te Moskou, Russische Federatie, 2. FGUP VO SOJUZPLODOIMPORT, te Moskou, Russische Federatie, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat: mr. J.C.H. van Manen, tegen 1SPIRITS INTERNATIONAL B.V., voorheen te Rotterdam, thans te Luxemburg, 2. SPIRITS PRODUCT INTELLECTUAL PROPERTY B.V., voorheen te Delft, thans te Luxemburg, 3. S.P.I. SPIRITS (CYPRUS) LIMITED, te Limassol, Cyprus, 4. ZAO SOJUZPLODIMPORT, te Moskou, Russische Federatie gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, advocaat: mr. B.J. Berghuis van Woortman, Partijen blijven aangeduid als FKP cs, FKP en FGUP enerzijds en anderzijds als Spirits cs (alle gedaagden in conventie/eiseressen in reconventie tezamen), Spirits IntPro (gedaagden in conventie/eiseressen in reconventie 1 en 2 tezamen), Spirits ProCy (gedaagden in conventie/eiseressen in reconventie 2 en 3 tezamen), Spirits International, Spirits Product, Spirits Cyprus en ZAO. De zaak is inhoudelijk behandeld door mrs. J.C.H. van Manen, L.E. Fresco, E. Meyer van Gelderen en S. Fest (FKP

  1. cs)en door mrs. B.J. Berghuis van Woortman, P.L. Tjiam, J. Bakker en D. Buskens (Spirits cs), allen advocaat te Amsterdam. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 mei 2017 (het tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken; het tussenvonnis van 30 augustus 2017, waarin het verzoek van Spirits cs om tussentijds appèl open te stellen, is afgewezen; de akte uitlating, tevens verzoek heroverweging, tevens wijziging (grondslag van) eis, tevens overlegging aanvullende producties van FKP cs d.d. 4 oktober 2017, met EP262 tot en met EP276; de akte uitlaten, tevens incidentele vordering ex artikel 843a Rv, tevens houdende overleggen producties en verzoek om heroverweging van Spirits cs d.d. 28 februari 2018, met producties 282 tot en met 326; het vonnis van 8 mei 2019 in het door Spirits cs opgeworpen exhibitie-incident en de daarin genoemde stukken; de akte uitlating van FKP cs van 12 juni 2019, tevens overlegging producties EP296 tot en met EP308; het vonnis van 9 oktober 2019 waarbij het verzoek tot het openstellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis in het exhibitieincident is afgewezen; de akte overlegging producties van FKP cs van 18 mei 2020 met producties EP322 tot en met EP334; de akte houdende overlegging producties van Spirits cs van 18 mei 2020 met producties GP340 tot en met GP466; de akte overlegging aanvullende producties van FKP cs van 2 juni 2020 met producties EP335 tot en met EP339. De producties EP335A en B, EP336-1, EP337, EP338 zijn geweigerd, zoals bericht aan partijen in het e-mail bericht van de rechtbank aan partijen van 12 juni 2020; de akte overlegging nadere producties betrekking hebbende op de vragen van de rechtbank over het buitenlands recht van Spirits cs van 2 juni 2020 met producties GP467 tot en met GP497; het e-mail bericht van de rechtbank aan partijen van 12 juni 2020, waarin partijen is bericht dat de op 9 juni 2020 door FKP cs aan de rechtbank toegezonden Akte overlegging aanvullende producties met producties EP340 tot en met EP343 is geweigerd; het vonnis van 22 juli 2020 in het door FKP cs opgeworpen incident ex artikel 223 Rv en de daarin genoemde stukken; de akte overlegging aanvullende producties van FKP cs van 29 juli 2020 waarbij met (bij voormeld vonnis van 22 juli 2020 verleende) toestemming van de rechtbank de producties EP361.1 en EP341 opnieuw zijn overgelegd. 1.2. Partijen hebben hun standpunten mondeling bepleit tijdens de mondelinge behandeling op 15, 17, 19, 22 en 24 juni 2020. De Nederlandse advocaten van partijen waren daarbij in de zittingszaal aanwezig, de informanten en deskundigen van partijen via beeldverbindingen. De pleitnotities behoren tot de processtukken. De processen-verbaal van deze mondelinge behandeling zijn met toestemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Deze processen-verbaal en de opmerkingen daarover zijdens Spirits cs van 11 december 2020 met betrekking tot het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2020 behoren tot de processtukken. 1.3. Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Deze zaak gaat over nationale merkregistraties van de wodkamerken Stolichnaya, Moskovskaya en SPI in dertien landen (hierna: ‘de merken’): Italië, Zwitserland, Frankrijk, Noorwegen, Denemarken, Zweden, Spanje, Portugal, Tsjechië, Polen, Verenigd Koninkrijk, Ierland en Cyprus (hierna tezamen: de betrokken landen). De merken zijn gedeponeerd door de USSR staatsonderneming VO en zijn nu geregistreerd op naam van Spirits International of Spirits Product. Daarnaast gaat deze procedure over Beneluxmerkregistraties op naam van Spirits Product (hierna: de jongere Beneluxmerken). 2.2. De geldigheid van de merken in de betrokken landen staat niet ter discussie; partijen aan beide zijden wensen dat de door hen gestelde rechtstoestand als de werkelijke rechtstoestand wordt vastgesteld. FKP cs vorderen primair dat Spirits IntPro worden bevolen alle noodzakelijke handelingen te (doen) verrichten om de merkregistraties op naam te doen stellen van, althans over te dragen aan, FKP, met de bepaling dat het vonnis onder toepassing van artikel 3:300 BW (zo nodig) in de plaats treedt van het schriftelijke verzoek van Spirits IntPro aan de merkenbureaus van de betrokken landen om de tenaamstelling te wijzigen. Subsidiair vorderen FKP cs een verklaring voor recht dat FKP rechthebbende op deze merkregistraties is, althans dat deze aan FKP toebehoren. FKP cs vorderen een inbreukverbod en verder hebben partijen over en weer schadevorderingen ingesteld. Tot slot hebben FKP cs ten aanzien van de jongere Beneluxmerken nietigverklaring en het gelasten van doorhaling gevorderd. 2.3. FKP cs hebben hun primaire vordering sub I en II gewijzigd door aan ‘met de bepaling dat het vonnis (onder toepassing van artikel 3:300 BW’)’ toe te voegen ‘danwel corresponderende bepalingen naar het recht van de betrokken landen) (zo nodig) in de plaats treedt van het schriftelijke verzoek van Spirits’. De rechtbank beoordeelt de vorderingen met inachtneming van deze eiswijziging, waar Spirits cs geen bezwaar tegen maken. 2.4. Hierna volgt (onder 3.) een nadere feitenvaststelling. Bij de verdere beoordeling komen achtereenvolgens aan de orde (onder 4.) de verzoeken om terug te komen op bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis, (onder 5.) algemene overwegingen die gelden voor alle betrokken landen, (onder 6.) de beoordeling van de resterende geschilpunten per land, (onder 7.) de nietigheid van de jongere Beneluxmerken en tot slot (onder 8.) de slotsom en de proceskosten. 3Nadere feitenvaststelling In aanvulling op de in het tussenvonnis onder 2. vastgestelde feiten, stelt de rechtbank de volgende feiten vast. Bij de beoordeling van de resterende geschilpunten per land (onder 6.) worden per land nadere feiten vastgesteld over de registratie van de merken. Vanwege de omvang van het dossier zal de rechtbank (anders dan gebruikelijk) ten behoeve van partijen in voetnoten verwijzen naar de producties of processtukken waaraan feiten en gegevens zijn ontleend. De nadere feitenvaststelling is als volgt ingedeeld: 3.1 Feiten vóór 1992 3.2 Handelen door VAO als rechtsopvolger van VVO 3.3 Verklaringen van Russische functionarissen en Russische instanties over VAO 3.4 Discussie over de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO in buitenlandse procedures 3.5 Herstel van de Russische merken 3.6 Verzoeken om nationalisatie van of een speciaal regime voor de merken op naam van VAO/VZAO 3.7 Handhaving van de Russische merken door VZAO en ZAO 3.8 De brieven van [A] 3.9 Russische (strafrechtelijke) onderzoeken naar de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO en de rechten op de merken 3.10 Vragen over de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO nietigverklaring van de statuten van VAO en de overdracht van de merken van VZAO naar ZAO 3.11 Handhaving door Spirits IntPro en opeising van de merken door FKP 3.12 Overeenkomst van 15 mei 2015 3.13 De verhandeling van wodka onder de merken door Spirits cs 3.1. Feiten vóór 1992 3.1.1. In oktober 1990 heeft VVO aan de ministerraad van de RSFSR onder meer geschreven: “Preparatory work is currently underway to transform VVO Soyzuplodoimport [Soyuzplodoimport – corr Rb] into a joint stock company to work in the transition to the market on the basis of the 500 Days program passed by the RSFSR Supreme Soviet.” 3.1.2. Op 3 juli 1991 heeft het Russische ministerie van landbouw aan de USSR State Property Fund geschreven: “Further to the resolution of the USSR Cabinet of Ministers dated 11 June 1991 No. 596r, we are forwarding materials for the privatization of agribusiness enterprises, organisations and institutions in Union subordination: (…) V/O Soyuzplodoimport will be transformed into a joint stock company (…).” 3.1.3. Op 9 juli 1991 heeft VVO aan de Russische onderminister van landbouw, tevens bestuursvoorzitter van Rospischeprom, [B] , geschreven dat VVO de USSR-transformatieprocedure aan het doorlopen was en Rospischeprom uitgenodigd om aandeelhouder te worden in de VAO. 3.1.4. Op 4 september 1991 heeft VVO aan de Russische onderminister van landbouw, tevens president van Rossiyskie semena, [C] , geschreven dat VVO de USSR-transformatieprocedure aan het doorlopen was en Rossiyskie semena uitgenodigd om deel te nemen aan de oprichtingsvergadering van VAO en om haar aandelen vol te storten. 3.1.5. Het verslag van de bestuursvergadering van VVO van 19 september 1991, vermeldt onder de kop ‘On the results of the Foundation Conference and work conducted to register the Company’: “Com. [D] Noted that the first phase of the establishment of VAO Soyuzplodoimport ended 5 September this year, the Foundation Conference was conducted, in which 47 organizations and enterprises participated. (…) The second, no less important, phase has begun - registration of the company. We will receive foreign economic joint stock company status after completing the registration. At this stage we have encountered difficulties with determining the head organization (…). In connection with the ongoing transfer of Union organizations into the jurisdiction of republican authorities, and their property into the possession of the RSFSR State Property Committee and its territorial authorities, we will most likely need to approach the Moscow municipal authorities on this matter.” 3.1.6. Op 1 oktober 1991 heeft VVO aan het bestuur van de stad Moskou geschreven dat VVO de USSR-transformatieprocedure aan het doorlopen was en de stad Moskou uitgenodigd om aandeelhouder te worden in de VAO.In deze brief staat voorts: “Given that since 01.07.1991, the State Commission for Foodstuffs and Procurement of the USSR Council of Ministers, to which VVO Soyuzplodoimport was subordinated, has been liquidated, and given that at present Union organisations in the RSFSR have been given the right to transfer into the jurisdiction of the RSFSR, in the territory of which in accordance with RSFSR Presidential Order No. 96 they will ultimately pass into the ownership of municipal authorities, with consideration for the opinion of the work force we hereby propose you to become the owner of 920 shares worth 920,000 rubles in the newly established VAO Sojuzplodoimport, or to delegate the right to another organisation at your discretion.” 3.2. Handelen door VAO als rechtsopvolger van VVO 3.2.1. Op 6 augustus 1992 heeft VAO aan het Russische ministerie van buitenlandse economische betrekkingen onder verwijzing naar de eerdere vergunning daarvoor van VVO gevraagd om een vergunning voor het importeren van groenten uit Polen. 3.2.2. Op 13 november 1992 heeft de Russische onderminister van financiën VAO gevraagd een schuld van VVO aan Bristol Myers Squibb Products SA van NLG 1.541.599,65 te voldoen. 3.2.3. Op 6 april 1993 heeft de Chairman of the Committee[e] on food and processing industry of the Russian Federation aan VAO the functions of the centralized customer toegekend ten aanzien van een aantal etenswaren. 3.2.4. Op 13 mei 1993 is VAO door de arbitragerechtbank te Moskou veroordeeld tot betaling van een schuld van VVO aan Baltic Shipping Company. 3.2.5. Op 9 juni 1993 heeft het Russische ministerie van buitenlandse zaken aan VAO opdracht gegeven om 15.000 ton ruwe tabak uit India te kopen en in te voeren. 3.2.6. Op 14 juni 1993 heeft het Russische ministerie van buitenlandse zaken aan VAO opdracht gegeven groente en fruit uit Vietnam te kopen en in te voeren. 3.2.7. Op 19 januari 1994 heeft VAO het Russische ministerie van financiën steun gevraagd in verband met een veroordeling tot betaling van een schuld van VVO aan het Finse Kuivamaito Oy. 3.2.8. Op 30 november 1994 heeft het Russische ministerie van buitenlandse economische betrekkingen VAO opdracht gegeven om goederen te kopen in India en Vietnam en in te voeren en te leveren aan de ‘State Customers’, de ‘Administrations’ van de regio’s Primorsky en Sakhalin. 3.2.9. Op 14 december 1995 is VAO in Letland veroordeeld tot betaling van door VVO verschuldigde vracht aan de Latvian Shipping Company. VVO wordt in dit vonnis – als het gaat over de periode vóór 1992 – aangeduid als VAO. Op 12 september 1996 is een Russische exequatur verleend voor deze veroordeling. Het op 1 februari 1999 ingediend en op 4 juni 1999 afgewezen verzoek tot herroeping van deze exequatur van 1 februari 1999 van de Russische procureur-generaal vermeldt over de ‘defendant’: “Later the defendant became a juridical person of the Russian Federation and what is more a non-State enterprise.” 3.3. Verklaringen van Russische functionarissen en overheidsinstanties over VAO 3.3.1. Een verklaring van 8 mei 1992 ‘To Whom It May Concern’ van het Russische ministerie van buitenlandse zaken luidt als volgt: “This letter will confirm the company SOJUZPLODOIMPORT, Moscow, is a legal entity in the Russian Federation. SOJUZPLODOIMPORT holds the rights to the Russian trademarks for : STOLICHNAYA (…) In Russia, SOJUZPLODOIMPORT is responsible to fulfill all contracts entered into by its Soviet Union predecessor Company. 3.3.2. In een verklaring ‘to whom it may concern’ van 23 oktober 1992 (waarvan de datum in het tussenvonnis onder 2.49 onjuist is vastgesteld, wat hier wordt hersteld) van Rospatent staat: " This confirms that, with respect to registrations abroad for the trademarks for the Russian vodkas “STOLICHNAYA”, “MOSKOVKAYA”(…), in the name of (VVO), the full and rightful successor of which is (VAO), the exclusive right to them resides only in (VAO)". 3.3.3. Een verklaring van 28 oktober 1992 van de Russische onderminister van buitenlandse economische betrekkingen, [E] , vermeldt voor zover van belang: “VAO “Sojuzplodoimport”, Moscow, is a legal entity in the Russian Federation and is the successor to its Soviet predecessor VVO “Sojuzplodoimport”. VAO “Sojuzplodoimport” has the right to export Russion vodka to the United States under the following trade marks: STOLICHNAYA” 3.3.4. Een verklaring van 29 december 1992 van de Russische onderminister van landbouw, [B] , luidt als volgt: “1. The company V/O ‘Sojuzplodoimport was set up in 1966 (...) 2. On January 5, 1990, it was reorganized its name was amended from V/O ‘Sojuzplodoimport’ to VVO ‘Sojuzplodoimport’. 3. By meeting dated 5-09-1991 and according to the RF Law ‘About Enterprises and Undertakings’ as well as according to the Regulation of the Council of Ministers of RSFSR under Ref.No. (…) VVO ‘Sojuzplodoimport’ was reorganized, and now its name is: - foreign enonomic joint-stock company 'Sojuzplodoimport' (VAO 'Sojuzplodoimport’). Due to the above reorganization VAO 'Sojuzplodoimport' has become the sole and legitimate successor to VVO Sojuzplodoimport and therefore, it undertook all its rights on the trademarks.” 3.3.5. Een verklaring van de Russische onderminister van landbouw, [B] , van 19 oktober 1993 luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “7. As a result of the Joint Decision of the Labor collective of VVO Sojuzplodoinport and the State Commission on Foodstuffs and Purchases of the Council, of Ministers of the USSR dated September 20, 1990, VVO Sojuzplodoimport was transformed into a different type of legal entity, namely a foreign economic joint stock company, with the name Vneshneekonomicheskoje Aktsionernoje Obshchestvo Sojuzplodoimport, which name is normally abbreviated to VAO Sojuzplodoimport. 8 . VAO Sojuzplodoimport is recognized under the laws of the Russian Federation as the legal successor to VVO Sojuzplodoimport.” 3.3.6. Op 27 september 1995 vond een presentatie plaats van Sojuzplodoimport in New York, die werd bijgewoond door onder meer [G] en de Russische minister van buitenlandse zaken, [F] . Een artikel hierover vermeldt: “In his speech Mr. [F] emphasized the historic importance of that event and mentioned the great contribution made by “Sojuzplodoimport” in the development of international ties and trade.” 3.4. Discussie over de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO in buitenlandse procedures Procedure over de Griekse merken 3.4.1. In juli 1992 is de transformatie van VVO naar VAO ter discussie gesteld in een procedure over de Griekse merken Stolichnaya en Moskovskaya. De Griekse distributeur APKA heeft op 3 juli 1992 onder meer het volgende aan Plodimex geschreven: “The documentation proving that VAO SOJUZPLODOIMPORT is the same legal entity as V/O or VV/O SOJUZPLODOIMPORT is very weak and many questions have been raised about what really is going on. The result of this weakness is that VAO SOJUZPLODOIMPORT cannot claim to be the same and unchanged·owner of the trademarks abroad. (…) In addition. the Trademark Office of Greece might cancel STOLICHNAYA and MOSKOVSKAYA trademarks because VAO SOJUZPLODOIMPORT cannot prove that it is the same company which deposited these trademarks in 1975! ” 3.4.2. Op 7 juli 1992 schrijft VAO aan APKA en Plodimex over de procedure in Griekenland: “We thank You for your fax of 3.07.92. In order to confirm status of VAO “Sojuzplodoimport” who is an assignee of VVO “Sojuzplodoimport”, we sent the following evidences: 1. Certificate, authenticated by the Chamber of Commerce & Industry on 18.06.92, testifying that VAO “Sojuzplodoimport” is the same organization that VVO “Sojuzplodoimport” only changed abbreviation. This documents having the text which was informed to us by an attorney from Greece. (…) 4. The main proof of VAO “Sojuzplodoimport” as an assignee from VVO “Sojuzplodoimport” is Articles of VAO “Sojuzplodoimport”, Clause 3 of which reads that VAO “Sojuzplodoimport” is a cessionary of VVO “Sojuzplodoimport”. Procedure Financial Matters/Pepsico in de Verenigde Staten 3.4.3. In een voor de United States District Court, Southern District of New York gevoerde procedure tussen Financial Matters en Pepsico over het Amerikaanse merk Stolichnaya (hierna: de Financial Matters/Pepsico-procedure) is de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO betwist door Financial Matters, onder verwijzing naar een opinie van prof. Maggs, waarin werd betoogd dat de RSFSR-privatiseringsprocedure niet volledig en juist was gevolgd. Pepsico stelde daar een opinie van prof. Berman tegenover, waarin werd betoogd dat transformatie conform de USSR-transformatieprocedure had plaatsgehad. 3.4.4. In het vonnis in een voorlopige voorziening van 17 november 1992 staat: “When the USSR collapsed in December 1991, SPI became a private joint stock company which succeeded to the same rights as its governmental predecessor; these rights were confirmed by the statements of various Russian government officials and trade representatives of the Russian Federation in the United States. PepsiCo, MHW and SPI have continued their business relationship virtually unchanged.” In de voetnoot [4] bij deze overweging staat: “In addition, PepsiCo's attorney argued before the Court that PepsiCo continues to do business with the same SPI staff in the same manner as they had done when the USSR was extant, and that the new SPI still operates out of the same physical facilities as the old state-run SPI. With respect to plaintiffs' claims that SPI did not undertake the requisite privatization procedures authorized by the Russian government, I note only that the situation in the former USSR is volatile. Nobody knows precisely what procedures were undertaken by SPI to privatize, but all the evidence seems to indicate that this new private joint-stock company is indeed carrying on the functions of the old SPI.” Verder vermeldt dit vonnis: “Indeed, PepsiCo has been using the mark continuously for over twenty years, and has built up a multimillion dollar business. PepsiCo has popularized the vodka through expenditures of over $100 million.” 3.4.5. In het vonnis in de hoofdzaak van 23 september 1993 staat: “When the U.S.S.R. collapsed in December 1991, SPI became a private joint stock company, VAO SPI. Statements submitted by various Russian government officials and trade representatives of the Russian Federation in the United States note that the private company VAO SPI succeeded to the same rights as its government predecessor.” In een voetnoot [4] staat: “(…) With respect to plaintiffs’ claims that SPI did not undertake the requisite privatization procedures authorized by the Russian government, I note only that the situation in the former USSR is volatile. Nobody knows precisely what procedures were undertaken by SPI to privatize, but all the evidence seems to indicate that this new private joint-stock company is indeed carrying on the functions of the old SPI. I do not address these issues of Russian law, as they are not necessary for dertermining ownership and infringement of the U.S. trademark rights. Procedure Caldbeck in Australië 3.4.6. In het kader van een procedure in Australië over de in 1992 door VVO en VAO verstrekte licenties aan de Australische distributeur Caldbeck Pty Ltd (Caldbeck), waarin Caldbeck de geldigheid van de transformatie ter dicussie heeft gesteld, heeft de Moskouse vestiging van het advocatenkantoor Baker&McKenzie op 10 mei 1993 advies uitgebracht aan VAO (hierna ook, tezamen met de onder 3.4.8 en 3.4.9 bedoelde vervolgadviezen: het Baker&McKenzie-advies).Daarin staat onder meer: “It is essential to view the events which transpired between VVO SPI, VAO SPI and Caldbeck Pty. Ltd. in the context of a country which was undergoing fundamental changes in its political structure. On December 25, 1991, the Union of Soviet Socialist Republics ("USSR") ceased to exist. Overnight, new governmental functions were thrust upon the Russian Federation. This restructuring was much more than a change in leadership and name; it was the spontaneous dismantling of an entire form of government that had prevailed for more than seventy years. The entrenched legal traditions that had previously existed were abandoned overnight and a new system was created. Laws were developed randomly in the form which addressed the problems of the moment, subject always to change at the whim of the leaders or through the necessity of events. Therefore, when determining the validity of the Deeds of Assignment, it is essential that the adjudicators look at more than just the form of the assignment. Rather the purpose which the parties intended to accomplish when making the assignment must be seen as underlying the documentary evidence. In addition, any analysis of the issues surrounding the assignments must be considered in the context of the environment in which they have evolved, without the rigid application of western legal biases and ideals. (…) Despite the fact that the VAO SPI did not become registered as a joint stock company until January 20, 1992, it had only to comply with the laws which existed at the time that the Joint Decision was made to reorganize in September 1990. However, even if technical difficulties existed in the manner in which the reorganization was undertaken by VVO SPI, in our opinion, reorganization was validated by the deeds and actions of the relevant government bodies, which evidences the fact that VVO SPI complied with the applicable law in carrying out its reorganization. (…) Once registered, however, the company becomes a legal entity in prima facie compliance with the laws as recognized by the Russian Federation. It is presumed that any omissions or errors of the founders merge on registration. Therefore, the fact that VAO SPI is registered with the Chamber is prima facie proof that the reorganization was done in compliance with the laws of the Russian Federation. If there had been an error, the documents should have been rejected by the Chamber and VAO SPI would have been forced to correct any omissions or errors in its documents.” De conclusie luidt onder meer: “Based on the above discussion of the facts we have concluded as follows. The reorganization of VVO SPI to VAO SPI was in compliance with the law in all respects. The collapse of the USSR did not revoke the authority of VVO SPI to reorganize and form the joint stock company VAO SPI which decision had been validly made on September 5, 1990. Furthermore, none of the subsequent laws of the USSR, RSFSR, or the Russian Federation revoked or invalidated this decision. Therefore in our opinion, after reviewing the facts as presented to us, as the reorganization was done in full compliance with the law, VAO SPI become the legal successor-in-interest to VVO SPI, inheriting all of its right title and interest in the property of VVO SPI. As VAO SPI was the legal owner of the New Trade Marks, it had the right to assign these New Trade Marks to Caldbeck Pty. Ltd. As such given that in our opinion all of the steps in the process were in compliance with the applicable laws of the former USSR and the Russian Federation and that at all times VVO SPI and subsequently VAO SPI was the legal owner of the Trade Marks, the assignment to Caldbeck Pty. Ltd. was done in compliance with the law.” 3.4.7. Onder het kopje ‘CHANGE OF NAME’ staat in dit advies: “It is incorrect to say that the name of the enterprise VVO SPI was simply changed to VAO SPI. The name VVO SPI was changed to VAO SPI by virtue of the process of reorganization which made VAO SPI into a legal entity separate and apart from VVO SPI. That said, it is possible in Russia law refer to the reorganized company as a company which "was formerly known as" as an indication of the historical background behind the formation of the reorganized company. However, it is not a reference as it would be in Western jurisdictions to an entity which has merely undergone a change of name.” 3.4.8. Een vervolgadvies van Baker&McKenzie van 21 mei 1993 vermeldt onder meer: “VVO SPI, by virtue of its reorganization into the joint-stock company VAO SPI, ceased to exist on January 20, 1992 and as such could not have assigned the trade marks to Calbeck Pty. Ltd. Sinces VVO SPI did not exist in February 1992, VVO SPI had no officers and employees, all of whom were employed by VAO SPI. This further indicates that it was probably just a typograhical error to use “VVO” in the Deed of Assignment instead of VAO.” Dit advies sluit af met de volgende opmerking: “We cannot over emphasize the importance of examining these issues in the context of a society which was, at the time these Deeds of Assignment were executed, in a constant state of flux.” 3.4.9. Een vervolgadvies van Baker&McKenzie van 1 juni 1993 vermeldt onder meer: “2. Simultaneous existence of VVO SPI and VAO SPI VAO SPI did not come into existence until it was registered with the Moscow Registration Chamber on January 20, 1992. As such, until January 20, 1992, only one entity, namely VVO SPI existed. On January 20, 1992, however, when VAO SPI became registered as a legal entity, all of the rights and obligations of VVO SPI including the rights to all of the trade marks passed from VVO SPI to VAO SPI by virtue of the reorganisation. The act of registering VAO SPI terminated the legal existence of VVO. 3. VAO SPI as a seperate legal entity from VVO SPI (…) although VAO SPI is the successor-in-interest to VVO SPI, under Russian law this re-organized entity is still conisidered a separate legal entity from its predecessor. (…) despite the fact that VAO SPI is considered a seperate legal entity from VVO SPI, it is distinguishable only because of its change in legal form and not because of any change in its substantive character.” 3.4.10. Op 5 september 1994 hebben VAO en het Australische Inchcape (voorheen Caldbeck) een overeenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “L. At the time of executing the February Deed it was believed that the Act of Transformation under the Law had not been completed due to the fact that the registration had been by way of the Temporary Certificate and its listing of various requirements hence the February Deed was executed under the style VVO SPI. M. By virtue of the provisions of the Law VAO SPI considered that it was a transformed or reorganised entity which was formerly known as VVO SPI. (…) P. At the time of preparing the September Deed it was genuinely believed by the Assignor and Assignee that the description was correct. Q. As a result of research undertaken by the International Law firm Baker & McKenzie’s Moscow office it appears that each of the February Deed and the September Deed were executed on the basis of a misunderstanding of the effect of the Law and that each of the documents ought to have been executed by VAO SPI as legal successor to VVO SPI.” 3.4.11. Op 18 september 1995 heeft de Federal Court of Australia, Victorian District Registry, op gezamenlijk verzoek van VAO en Inchcape een bevel gegeven aan het Australische merkenregister om in plaats van Inchcape VAO als merkhouder van drie Australische merkregistraties te registreren. De procedure tegen Gouldburn in Australië 3.4.12. In een procedure in Australië in 1993 van Inchcape (voorheen Caldbeck) tegen Gouldburn, met VAO als second cross respondent, heeft Gouldburn de geldigheid van de transformatie ter discussie gesteld. 3.5. Herstel van de Russische merken 3.5.1. Op 13 juli 1993 heeft het Russische ministerie van buitenlandse economische betrekkingen aan de Russische regering geschreven: “The decision of the former USSR Gospatent taken in 1991 on the annulment of the registration of the world known Russian vodkas "Stolichnaya","Moskovskaya'' and others deprived them of their legal protection on the territory of Russia as a result of which the famous trade marks were used for the export deliveries of low-quality vodkas (in particular to former Czechoslovakia). Export deliveries of low-quality vodka undermine the prestige of the said trade marks and may cause Russia to lose the already developed foreign markets. In view of the above the MFER of Russia finds it advisable to restore the said registrations of trade marks in the name of VAO "Sojuzplodoimport".” 3.5.2. Vervolgens hebben het Russische ministerie van buitenlandse economische betrekkingen en VAO gezamenlijk beroep ingesteld tegen het vernietigingsbesluit van Gospatent d.d. 7 augustus 1991 met betrekking tot de Russische merken. 3.5.3. Op 23 juli 1993 heeft de Russische regering Rospatent opdracht gegeven al het nodige te doen om de Russische merkinschrijvingen te herstellen op naam van VAO, waarop het Russische ministerie van buitenlandse economische zaken op 11 augustus 1993 aan VAO heeft laten weten dat het herstel van de Russische merken op naam van VAO ter hand was genomen en op 16 september 1993 hebben de Russische onderminister van buitenlandse zaken en de Russische onderminister van buitenlandse economische betrekkingen aan de Russische premier een ontwerpdecreet gestuurd, waarin staat dat herregistratie van de Russische merken dient plaats te vinden op naam van VAO, als rechtsopvolger onder algemene titel van VVO. 3.5.4. Op 9 november 1993 heeft een vergadering plaatsgehad bij het Russische ministerie van buitenlandse economische betrekkingen ‘on the matter of use of the trademarks for Russian vodkas “Moskovskaya” and “Stolichnaya” in the territory of Russia. De notulen vermelden onder meer: “Based on the need to protect the economic interests of the Russian Federation in the use of trademarks for vodka “Stolichnaya” and “Moskovskaya”, registered in 1969 in the USSR in the name of the All-Union Association “Sojuzplodoimport”, to consider appropriate: 1. Annulment of a decision made by a former State Patent of the USSR No. 10/30-314-50 of 07.08.91. 2. Restoration of VAO “Sojuzplodoimport” in the rights of the owner of trademarks for vodkas “Stolichnaya” and “Moskovskaya” and granting by it a license for the production and sale of vodka on the territory of Russia under the indicated trademarks to exporting plants and other profucers [producers – corr Rb]. Licenses should be issued only to the distilleries included in the state register, and in agreement with the State Inspectorate for ensuring the state monopoly on alcoholic production.” 3.5.5. De op 8 april 1994 gegeven opdracht van de Russische president Jeltsin aan de Russische premier tot herstel van (de registratie van) de Russische merken op naam van VAO, is op 16 april 1994 doorgegeven aan Rospatent, die op 6 mei 1994 is overgegaan tot herroeping van de doorhaling van de Russische merken en registratie op naam van VAO, met een moratorium van drie jaren op handhaving van de merken (tot 7 mei 1997). 3.6. Verzoeken om nationalisatie van of een speciaal regime voor de merken op naam van VAO/VZAO 3.6.1. Op 28 juni 1996 heeft de Russische onderminister van economische zaken een verzoek van een distilleerderij om de Russische wodkamerken te nationaliseren afgewezen.In deze brief staat onder meer: “One cannot take away the rights of one party in favor of another. (…) According to Rospatent, under the current conditions the issue may solved, if VAO "Sojuzplodoimport" grants the license to use the common trademarks to Russian plantsproducers of alcoholic beverages.” 3.6.2. Een op 11 november 1996 door een wodkadistilleerderij gedaan verzoek aan de Russische premier om speciale bescherming van de Russische wodkamerken, is besproken tijdens een vergadering waaraan onder meer vertegenwoordigers van Rospatent, Russian alcohol monopoly, de State Committee for Antimonopoly Policy of Russia, de Russische ministeries van landbouw en buitenlandse economische betrekkingen deelnamen. Het verslag van 24 november 1996 van die vergadering vermeldt onder meer: “ [H] (from Rospatent) stated the lack of legal lawful means for nationalization of the trademarks and their transfer for management to any state body. (…) [I] (from State Committee for Antimonopoly Policy of Russia) (…) stated that the source of the issue was the wrongful privatization of the former VO Souzplodoimport without the consideration of the real value of its non-materials assets (considered by the exports to be several billions in USD).” 3.6.3. Op 31 december 1996 heeft Rospatent aan de Russische Federatie laten weten dat er geen wettelijke basis was voor toewijzing van het verzoek om speciale bescherming van de Russische wodkamerken. Deze brief vermeldt onder meer over de onder 3.6.2 bedoelde vergadering: “During the meeting it was proposed to reconsider the decision on privatization of the former VO “Souzplodoimport” [sic]- the state organization, which was transformed as a result of such privatization into the closed joint stock company. Such decision, taking into account of the expiration of the three year period, could have been made only in accordance with order specified by the legislation.” 3.7. Handhaving van de Russische merken door VZAO en ZAO 3.7.1. ZAO heeft in civiele handhavingsprocedures, waarin zij in een aantal gevallen werd ondersteund door Russische instanties, veroordelingen verkregen tegen inbreukmakers op haar Russische wodkamerk Russkaya op 16 april 1999, 22 april 1999, 18 oktober 1999 en 21 juli 2000, voor de Russische wodkamerken Russkaya en Stolichnaya op 22 september 1999, en voor de Russische wodkamerken Stolichnaya, Moskovskaya en Russkaya op 11 oktober 1999. Ook heeft het Russische openbaar ministerie verdachten vervolgd die zonder toestemming van ZAO zelfgestookte wodka onder het merk Stolichnaya verkochten. Dit heeft onder meer geleid tot veroordelingen van 1 april 1998 en 6 augustus 1999. 3.8. De brieven van [A] 3.8.1. Op 28 september 1996 heeft [A] van Vangeria Limited te Singapore (hierna: [A] ) aan United Distillers geschreven: “Sooner or later the question of the brand ownership will be disputed by the Government. Once we get the transfer of the trade marks to UD we can sleep restfully for 4 years. If your plans for Russian vodka are beyond this period you have to develop “a long-term strategy”." 3.8.2. Op 23 december 1996 heeft [A] aan United Distillers geschreven: “As the Government is now trying to reassert its former monopoly position on spirits and cigarettes, [G] has become subjected to a pressure through the plants he represents either to perform or to surrender the brands. It is unclear at this juncture of time as to which organisation could become the suitable successor.” 3.8.3. Op 28 oktober 1999 heeft [A] aan United Distillers geschreven: “Obviously the new structure had to be moved out of Russia for the reasons explained by the new leadership as in consideration of the current instability in Russia.. There were rumours that the new structure has been under investigation by the Russian Federal Prosecutor's Office. (…) My personal concerns that were later substantiated by the Russian media and discussions with official (…) involved in nationalising the Russian liquor industry are the Trade Marks themselves. If these concerns are real and SPI would be aware of them, it is a natural conclusion that SPI is to benefit from a quick sale of these brands to the highest bidder. (…) My further concerns are with the possible (delayed) Russian Government reaction to SPI moving the brands to offshore. Legally the Government is not in a position to forcebly retrieve the brands (The Paris Convention) but any Russian liquor trading association is likely to appeal to the Government for making it illegal to move the Russian strategically important commodity offshore. This would cause a reaction and its results notwithstanding make the potential buyers of the brand consious of these developments and reluctant to commit large amounts before this issue is cleared. This in my estimates would happen not later than June 2000.” 3.9. Russische (strafrechtelijke) onderzoeken naar de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO en de rechten op de merken 3.9.1. De op 28 mei 1999 ingestelde strafvervolging tegen [J] betrof de verdenking dat ZAO in november en december 1998 ‘exercised his business activity without any special permit (licence), namely, without a licence to buy, store and export alcoholic products.’[J] is hierover in zijn hoedanigheid van bestuurder van ZAO als verdachte gehoord. 3.9.2. Op 30 juni 1999 is op verzoek van de Deputy Chief of the Head Department of Struggle against Economic Offences van het Russische ministerie van binnenlandse zaken, het lopende onderzoek tegen [J] uitgebreid met onderzoek naar ‘the lawfulness of the acquisition and use by ZAO «Sojuzplodimport» of the exclusive right of ownership to the trade marks for the most popular Russian vodkas and bitter liqueurs (49 trade marks among which (…) «Stolichnaya», «Moskovskaya», (…) etc) that had been owned before by the state organization VVO «Sojuzplodoimport»’. 3.9.3. Op 26 november 1999 is een Order on the discontinuance of criminal proceedings against [J] en een Decree to terminate the criminal proceedings afgegeven ten aanzien van de in eerste instantie tegen [J] gerezen verdenkingen. Het onderzoek naar de rechtmatigheid van de verkrijging van de merken door ZAO werd voortgezet. 3.9.4. Bij brief van 19 februari 2000 heeft de minister van binnenlandse zaken van de Russische Federatie aan de Russische president Poetin gevraagd maatregelen te nemen tegen VZAO en ZAO, aangezien het transformatieproces gebrekkig was verlopen. Daarnaast heeft hij voorgesteld een nieuwe staatsentiteit op te richten die de merken zou houden.De brief vermeldt onder meer: “Therefore currently the management of ZAO “Sojuzplodimport” following their personal interests dictates to the Russian producing distilleries the conditions and volumes of export supplies of alcohol products and on the valuable consideration basisi give licences for the use of trademarks. As a result one of the most significant income flows into consolidated budget of Russia which has annually a few billion rubles, has been lost.” 3.9.5. In augustus en september 2000 heeft de Russische Algemene Rekenkamer onderzoek gedaan naar de vraag of de transformatie van VVO naar VAO was uitgevoerd in overeenstemming met de regels. Het onderzoek richtte zich tegen OAO (voorheen ZAO). In de rapporten van 8 september 2000 en 17 november 2000 concludeerde de Russische Algemene Rekenkamer dat geen geldige transformatie van VVO naar VAO of geldige privatisering van VVO had plaatsgehad. 3.9.6. Op 14 augustus 2001 is een ‘order on the qualification and termination of a criminal case’ gegeven in het strafrechtelijk onderzoek tegen [G] over ‘the seizure and unlawful use of trademarks previously belonging to VVO Soyuzplodoimport by VAO Soyuzplodoimport’.Daarin wordt geconcludeerd dat geen sprake is van toeëigening van de Russische merken door VAO, aangezien deze sinds 1991 vrij waren, wat is herhaald in de op 29 september 2004 afgegeven Order on termination of a criminal case voor de vervolging van het bestuur van VVO en VAO. In de beslissing over het onderzoek naar [G] staat onder meer: “The criminal case materials show that state enterprise Soyuzplodoimport actually ceased to exist as of the registration of VAO Soyuzplodoimport. However, a resolution as not adopted to liquidate or transform it. (…) As the chairman of VVO Soyuzplodoimport, [G] did not duly perform his duties as a result of an unconscientious attitude to his work, and contrary to the RF Law on Privatization of State and Municipal Enterprises in the Russian Federation did not conduct the privatization of VVO Soyuzplodoimport, but transformed it in accordance with the Regulations on Joint Stock Companies and Limited Liability Companies approved by USSR Council of Ministers resolution No. 590 dated 19 June 190, which resulted in significant impairment of the interests of the state protected by law.” 3.9.7. Op 17 april 2003 heeft de Russissche openbaar aanklager aan FKP geschreven: “The investigation has determined that for the purpose of removing the trade marks from the assets of the enterprise which illegally acquired the rights to the trade marks (…) a new enterprise (AO Soyuzplodimport) was established. (…) 3. The cession of rights to trade marks to ZAO Soyuzplodimport was just another stage of the plan worked out to take possession of the rights. It is proved by the fact that the trade marks just shortly remained in ZAO Soyuzplodimport’s possession. (…) Therefor, as the result of a number of illegal transactions, the trade marks earlier owned by the Russian Federation came to the possession of a juridical person probably founded by the persons who used to perform the functions of executive bodies of VZAO Soyuzplodoimport’s founders or executive bodies of VZAO Soyuzplodoimport itself and arranged the removal of trade marks first from VZAO Soyuzplodoimport’s and further from ZAO Soyuzplodimport’s assets.” 3.9.8. Op 29 september 2004 is een Order on termination of a criminal case afgegeven voor de vervolging van het bestuur van VVO en VAO (zie ook 3.9.6).Daarin staat: “In the period of 07 August 1991 to the establishment of VAO SPI, the trademarks were not under the legal protection of the state, in connection with which any enterprise could have used them for commercial purposes. At the establishment of VAO SPI, VVO SPI could not have transferred rights to use the trademarks to VAO SPI by legal succession since it did not hold such rights, and therefore the registration of the trademarks to the VAO in 1994 could not have been on the basis of legal succession.” 3.9.9. Een rapport d.d. 15 januari 2010 van [K] , Deputy Chief of SO TsAO Moscow SU SK of the RF Prosecutor’s Office Moscow Department of Investigations Investigative Committee of the RF Prosecutor’s Office aan [L] , Head of the Department of Procedural Supervision in Corruption Prevention, vermeldt onder meer: “FGUP Soyuzplodoimport is not the successor of VVO Soyuzplodoimport, in connection with which it cannot act as victim in the case, notwithstanding that the case file contains an order recognizing FGUP Soyuzplodoimport as the victim.” 3.10. Vragen over de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO, nietigverklaring van de statuten van VAO en de overdracht van de merken van VZAO naar ZAO 3.10.1. Op 28 juni 1999 heeft de Russische onderminister van binnenlandse zaken aan de Russische onderminister van landbouw gevraagd ‘to consider the matter about viability of restitution of state’s ownership rights on traditional Russian vodkas’, aangezien: “At present we have the situation when the state has lost its ownership rights on traditional Russian vodkas and all the profit from its use by alcohol products is going to profit of private joint-stock company (ZAO “Sojusplodoimport”) (…) Therefore it is viable to prepare and to introduce to the Government of the Russian Federation the well-grounded proposals to restitute state’s ownership right on traditional Russian vodkas which in future will serve as one of the sources to refill profit part of the budget.” 3.10.2. Op 31 oktober 2000 heeft de Russische procureur generaal aan de Russische premier onder meer het volgende geschreven over de uitvoering van het decreet van president Poetin van 13 maart 2000: “Furthermore, actions have been filed in court seeking to invalidate the provision in the charter of OAO "Plodovaya Kompaniya" (previously VAO "Sojuzplodoimport) about succeeding to the rights of VVO "Sojuzplodoimport," and seeking to enforce the invalidation of the voided transactions that transferred the trademark rights to a third party in the form of unilateral restitution. The Office of the Attorney General will ask the court to reinstate the rights of VVO "Sojuzplodoimport’s government determined successor to the trademarks. However, to date, no such successor has been determined, therefore I ask you to consider the possibility of transferring the rights of VVO "Sojuzplodoimport," including the trademark rights, to the federal state unitary enterprise "Rosspirtprom" and to instruct the Russian Patent Office to reinstate the registration of the trademarks rights, (…).” 3.10.3. Op 21 december 2000 heeft de economische rechtbank te Moskou (Moscow Arbitrazh Court) op een in november 2000 ingestelde vordering van de Russische openbaar aanklager in een procedure tegen OAO Plodovaya Kompaniya (hierna: OAO) en de Kamer van Koophandel te Moskou artikel 2 van de statuten van VAO nietig verklaard. OAO heeft verweer gevoerd tegen de vordering, onder meer met een beroep op verjaring, dat is verworpen. Inhoudelijke toetsing van de vordering resulteerde in de conclusie dat geen geldige transformatie van VVO naar VAO had plaatsgevonden. Nadat het vonnis in hoger beroep was vernietigd op een procedureel punt, heeft de Russische Hoge Raad op 16 oktober 2001 het vonnis in eerste aanleg bekrachtigd.Daarbij is over het verjaringsverweer overwogen: “In accordance with Article 10 of the Federal Law of the Russian Federation "On Putting into Effect Part One of the Civil Code of the Russian Federation” the periods of limitation fixed by Part One of the Code shall be applicable to those actions the time limits for bringing of which provided by the legislation previously in effect have not expired by 01.01.95. The charter of VAO "Soyuzplodoimport" was filed with the state registrar on 20.01.92. The authorised state agency could not known of violation of the right prior to that date. Hence, on 01.01.92 the common t(h)ree year period of limitation prescribed by Article 78 of the Civil Code of the RSFSR was not defaulted to hold invalid the provisions on legal succession contained in the foundation agreement dated 05.09.91 and in the charter adopted in compliance therewith. So the claim for declaring invalid the charter provision on legal succession based on the agreement of 05.09.91 being ineffective in that respect could be filed with the court within the time limit established by Article 181, Paragraph 1 of the Civil Code of the Russian Federation, i.e. within a 10-year limitation period starting from 20.01.92. An action was brought by the Public Prosecutor's Office in November 2000.” 3.10.4. Op 31 maart 2001 heeft de Head of the Legal department van het ministerie van landbouw aan de Department of food, processing industry and baby food, ter attentie van [M] , geschreven: “Based on the received materials, State Enterprise VVO “Soyuzplodoimport” was excluded from the register of legal entities due to its liquidation or reorganization. (…) On the basis of the above, the Legal Department concludes that the restoration of the legal entity, in this case – State Enterprise VVO “Soyuzplodoimport” in the state register of legal entities, i.e. restoration of its rights and obligations, is not possible.” 3.10.5. Op 30 januari 2002 heeft de economische rechtbank te Moskou de overeenkomst tussen VZAO en ZAO van 26 december 1997 en de bijlage nietig verklaard. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. De door ZAO en OAO ingediende herzieningsverzoeken zijn in maart en april 2003 afgewezen. 3.11. Handhaving door Spirits IntPro en opeising van de merken door FKP 3.11.1. Op 21 februari 2003 hebben FKP en FGUP de dagvaarding in de Rotterdamse procedure uitgebracht. 3.11.2. Op 23 april 2003 hebben Spirits International en Spirits Cyprus onder meer FKP en FGUP gedagvaard in een procedure voor deze rechtbank en een grensoverschrijdend verbod gevorderd jegens onder meer FKP om wereldwijd de merken in bezit te nemen. De dagvaarding vermeldt onder meer: “11. In geding is een onrechtmatige (poging tot) het in bezit nemen van de wodkamerken STOLICHNAYA en MOSKOVSKAYA door FKP aan de orde, in samenwerking met de overige gedaagden. Dit gebeurt door het onrechtmatig registreren van deze merken door FKP. Bovendien stelt FKP, alsmede de overige gedaagden, openlijk en ten onrechte dat FKP de rechtmatige eigenaresse is van de Merken in persberichten en in mondelinge en schriftelijke communicaties aan distributeurs van SPI Spirits. 12. Daarnaast gaat het in dit geding om onrechtmatige uitingen door FKP, alsmede door de overige gedaagden, in persberichten dat Spirits c.q. de SPI Groep niet de rechtmatige eigenaresse zou zijn van de Merken. Bovendien worden mededelingen met dezelfde inhoud, zowel mondeling als schriftelijk, door de verschillende gedaagden aan distributeurs van SPI Spirits medegedeeld.” 3.11.3. In april-juni 2003 hebben Spirits cs waarschuwingsbrieven gestuurd aan de merkenbureaus in de betrokken landen.Daarin staat onder meer: "It has come to the knowledge of our clients that parts of the Russian Government (Federation) dispute the ownership of the trademarks of our clients mentioned above. The Russian Government, or organizations controlled by them, such as Russian companies FKP Soyuzplodoimport and/or FGUP VVO Soyuzplodoimport, seems to be marketing this subject matter by applying for trademarks with identical signs STOLICHNAYA and MOSKOVSKAYA, forcing our clients to seek the invalidation of such applications. In addition, the Russian Government has publicly announced that it will take any action it deems necessary to obtain the assignment of ownership of the trademarks of our clients, or organizations controlled by them." 3.11.4. Bij brieven van 5 april 2004 hebben FKP en de Russische Federatie Spirits IntPro gesommeerd wereldwijd alle registraties van de merken aan haar over te dragen en de inbreuk op deze merken te staken. 3.12. Overeenkomst van 15 mei 2015 3.12.1. Op 15 mei 2015 hebben de “Federal Agency for State Property Management, hereinafter referred to as "Party 1 ", (…) acting under Order of the Government of the Russian Federation no. 1127-r dated June 29, 2012 (…) and Decree of the Government of the Russian Federation no. 432 dated June 5, 2008 (…), on behalf of the Russian Federation” en FKP (Party 2) een overeenkomst gesloten, die – voor zover van belang – inhoudt: 1. "Party 1" transfers its entire exclusive and other rights to the assigned property to the extent such assigned property would not already lie with "Party 2", to "Party 2", and "Party 2" accepts this property which includes: 1. all rights to the trademarks originally registered in the name of the All-Union Association for import and export of food and agricultural products of vegetable origin "Sojuzplodoimport" and/or its legal successors anywhere in the world, except in the Russian Federation and in the United States of America, including but not limited to (…) Cyprus, (…) Czech Republic, Denmark, (…) Ireland, Italy, (…) Norway, Portugal, (…) Switzerland, Spain, (…) Sweden, (…) the United Kingdom, (…) as well as international registrations of the trademarks for which the basic registrations were Russian (Soviet) trademarks registered earlier in the name of All-Union Association for import and export of food and agricultural products of vegetable origin "Sojuzplodoimport" and/or its legal successors including the following verbal elements both in Cyrillic and Latin (hereinafter the "Trademarks"): - Stolichnaya - Moskovskaya - SPI” 3.13. De verhandeling van wodka onder de merken door Spirits cs 3.13.1. In de betrokken landen wordt wodka verhandeld door Spirits cs met (bij wijze van voorbeeld) het volgende uiterlijk: (Zweden) (Tsjechië) (Zwitserland) (Noorwegen) (Tsjechië) 3.13.2. De in 3.12.1 weergegeven Stolichnaya-fles heeft in detail het volgende uiterlijk: 3.13.3. Op de website www.stoli.com en via andere reclamekanalen gericht op de betrokken landen, wordt als volgt reclame gemaakt voor de wodka van Spirits cs: 4. De verzoeken om heroverweging van bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis 4.1. FKP cs en Spirits cs verzoeken om heroverweging van een aantal beslissingen in het tussenvonnis. Het gaat om bindende eindbeslissingen, waarvoor als uitgangspunt geldt dat de besliste geschilpunten voor deze instantie zijn afgedaan en dienen te worden bestreden in hoger beroep. Dit uitgangspunt berust op de goede procesorde en heeft een op beperking van het debat gerichte functie: er is geen plaats voor heropening van het debat over afgedane geschilpunten. Dit uitgangspunt gaat echter niet zo ver, dat de feitenrechter wordt gedwongen een einduitspraak te doen waarvan hij weet dat deze ondeugdelijk is. De eisen van een goede procesorde brengen evenzeer mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing. Vorderingsgerechtigdheid FKP 4.2. FKP cs heeft de rechtbank gevraagd terug te komen op het oordeel dat FKP niet vorderingsgerechtigd is ten aanzien van de primaire vorderingen I en II sub (
  2. ii)(r.o. 4.38 en 4.106 van het tussenvonnis). Spirits cs heeft de rechtbank daarop verzocht de beslissingen te heroverwegen en te oordelen dat noch FGUP, noch FKP vorderingsgerechtigd is in deze procedure. In het tussenvonnis is geoordeeld dat (
  3. a)VVO na januari 1992 is blijven voortbestaan, (
  4. b)in 2001 is omgezet naar FGUP, (
  5. c)met als gevolg dat FGUP de aan VVO verleende rechten tot beheer van Russische staatseigendommen (de merken) verkreeg. Vervolgens (
  6. d)heeft de Russische Federatie de merken op verzoek van FGUP teruggenomen en ondergebracht in FKP, die (
  7. e)als Russische staatsonderneming het beheer over de merken is gaan voeren en gerechtigd was de vorderingen in te stellen. 4.3. De rechtbank volgt Spirits cs niet in hun betoog dat uit de onder 3.9.9 geciteerde passage uit het daar beschreven rapport volgt, dat FGUP niet de nieuwe rechtsvorm is van VVO. De door Spirits cs aangehaalde conclusie ziet kennelijk op de situatie rechtens ten aanzien van de Russische merken, die opnieuw zijn geregistreerd op naam van VAO. In de aangehaalde passage wordt tot uitdrukking gebracht dat rechtsopvolging niet aan de orde was ten aanzien van deze merken. In het rapport waarin deze passage is opgenomen, staat niets over de rechtspersoonlijkheid/oprichting van FGUP en hoe – als deze passage meer algemeen bedoeld zou zijn – tot deze conclusie is gekomen. 4.4. De onder 3.10.2 bedoelde brief kan Spirits cs ook niet baten. Daaruit volgt dat ten tijde van het schrijven van die brief (31 oktober 2000) nog niet duidelijk was wie als rechtsopvolger van VVO zou worden aangewezen. Uit deze brief kan alleen worden afgeleid dat op enig moment is voorgesteld om ‘FGUP Rosspirtprom’ aan te merken als rechtsopvolger van VVO. Dit voorstel, waar kennelijk geen gevolg aan is gegeven, leidt niet tot de conclusie dat FGUP niet de rechtsopvolger was van VVO. 4.4.1. In aanvulling op het tussenvonnis overweegt de rechtbank het volgende over de verhouding tussen de USSR en de Russische Federatie enerzijds en VVO en FKP anderzijds. In de USSR waren vermogensbestanddelen zoals de merken staatseigendom. Staatsondernemingen, zoals VVO, hadden staatseigendom in operatief beheer. Zij konden optreden als ware zij eigenaar van het hen toegewezen staatseigendom. De figuur naar Sovjet- en Russisch recht van operationeel beheer, verschafte VVO het uitsluitend recht de merken te gebruiken, te exploiteren, in eigen naam te registreren en in eigen naam in rechte te handhaven. Dat maakt VVO zélf, uit eigen naam rechthebbende van die merken. De rechtbank komt daarom terug van haar vaststelling in het tussenvonnis onder 4.19 dat de USSR (ook) de rechthebbende (eigenaar) van de merken was. 4.4.2. De USSR was eigenaar van VVO, die de vruchten van de exploitatie van de merken afdroeg aan de USSR. Zonder transformatie bleef dat zo, met dien verstande dat de Russische Federatie de plaats van de USSR had ingenomen. Zoals in het tussenvonnis is vastgesteld, is VVO omgezet in FGUP, die daarmee de aan VVO verleende rechten tot beheer van staatseigendommen verkreeg. De Russische Federatie heeft vervolgens op verzoek van FGUP gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om staatseigendom terug te nemen en deze in een andere staatsonderneming (te weten FKP) onder te brengen. FKP verkreeg daarmee het eerder aan VVO toekomende uitsluitend recht de merken te gebruiken, te exploiteren, in eigen naam te registreren en in eigen naam in rechte te handhaven. De vorderingsgerechtigdheid van FKP in deze procedure is hierop gestoeld. 4.4.3. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank terug van haar onder 4.38 van het tussenvonnis vervatte oordeel dat de Russische Federatie – zonder rechtsgeldige transformatie – eigenaar is gebleven van de merken. De USSR en de Russische Federatie zijn nooit rechthebbende van de merken geweest. De vaststelling in het tussenvonnis dat FKP als staatsonderneming mede de belangen behartigt van de Russische Federatie, blijft overeind, nu de Russische Federatie eigenaar is gebleven van VVO, eigenaar is van FKP en recht had/heeft op afdracht van de vruchten van exploitatie van de merken door VVO en FKP. Zoals in het tussenvonnis onder 4.40 is overwogen, moet de Russische Federatie geacht worden gebonden te zijn aan de uitkomst van deze procedure en kunnen Spirits cs zich beroepen op verweren die zij jegens de Russische Federatie kan voeren. Dit betekent dat Spirits cs gedragingen van de Russische Federatie kunnen tegenwerpen aan FKP. Tot slot kunnen de standpunten van partijen over de onder 3.12 bedoelde overeenkomst van 15 mei 2015 onbesproken blijven; of FKP een beter recht geldend kan maken op de merken, moet worden beoordeeld naar het recht van de betrokken landen. Transformatie van VVO naar VAO 4.5. Spirits cs verwijzen naar documenten uit het ‘ [G] dossier’, die zij– na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – ter onderbouwing van hun standpunten over de resterende geschilpunten in het geding hebben gebracht. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van FKP dat Spirits cs deze stukken eerder in het geding had kunnen en moeten brengen. De rechtbank bespreekt nu de op deze stukken gebaseerde verzoeken om heroverweging van Spirits cs. 4.6. In het tussenvonnis is vastgesteld dat onmiskenbaar de intentie bestond om VVO te transformeren naar een private onderneming en dat deze intentie kenbaar is gemaakt aan de relevante Russische functionarissen en overheidsinstanties. De stukken waarop Spirits cs zich beroepen, vormen een verdere bevestiging van de in het tussenvonnis reeds vastgestelde betrokkenheid van de Russische overheidsinstanties. Deze stukken bevestigen ook dat VVO Russische overheidsinstanties, zowel die van de USSR als de RSFSR, op de hoogte hield van de door haar gezette transformatiestappen. Uit de onder 3.1.2 bedoelde brief volgt ook dat Russische overheidsinstanties de transformaties en privatiseringen van staatsondernemingen bijhielden en wisten dat VVO zou worden getransformeerd. De rechtbank stelt vast dat de Russische overheidsinstanties op de hoogte waren van de stappen die VVO zette en dat zij in de berichten van VVO kennelijk geen aanleiding hebben gezien VVO tegen te houden. De onmiskenbaar bestaande intentie van VVO om te transformeren naar een private onderneming is op zich echter onvoldoende om de transformatie vast te kunnen stellen. Dat geldt ook voor de nader vastgestelde betrokkenheid van de Russische overheidsinstanties. 4.7. Er is pas sprake van een geldige transformatie als alle daartoe vereiste stappen zijn doorlopen. Niet in geschil is dat de RSFSR-privatiseringsprocedure niet volledig is doorlopen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis getoetst aan de veel minder uitgebreide USSR-transformatieregels. Omdat de conclusie luidde dat de USSR-transformatieprocedure niet volledig en juist was doorlopen, is niet onderzocht of de RSFSR-privatiseringsprocedure dan wel de USSR-transformatieregels destijds golden. De rechtbank heeft dus ook niet vastgesteld dat de USSR-transformatieprocedure het destijds geldend recht was. Dat kon – en kan – onbesproken blijven, omdat geen van beide procedures geheel en juist is doorlopen. 4.8. In het tussenvonnis is geoordeeld dat de stappen 1, 3 en 5 van de USSR-transformatieprocedure niet (juist) zijn gezet. De rechtbank voegt daaraan toe dat het de vraag is of, nu het USSR-Staatscomité – dat een belangrijke rol speelt in de USSR-transformatieprocedure – per 1 juli 1991 is opgeheven, de USSR-transformatieprocedure daarna nog wel (verder) kon worden doorlopen. 4.9. Met betrekking tot stap 1 is in het tussenvonnis vastgesteld dat het USSR-Staatscomité op 5 november 1990 als (nadere) voorwaarde aan transformatie van VVO naar een private onderneming heeft gesteld dat zou worden voldaan aan de aanstaande regelgeving voor transformaties en dat de statuten van het geprivatiseerde bedrijf daarmee in overeenstemming zouden zijn. Op 1 juli 1991 is nadere USSR-regelgeving afgekondigd, die – naar partijen allebei tot uitgangspunt nemen – nooit van kracht is geworden. De door het USSR-Staatscomité gestelde voorwaarde is dus niet vervuld. Dat geldt ook als deze voorwaarde (mede) zag op de RSFSR-regelgeving die vanaf 1990 is afgekondigd, nu niet in geschil is dat de RSFSR-transformatieprocedure nooit is doorlopen. Daarmee is stap 1, een gezamenlijk besluit van het bevoegde overheidsorgaan en de werknemers om het staatsbedrijf te transformeren, niet ongeclausuleerd genomen. Er moest immers aan een voorwaarde worden voldaan, die niet is vervuld. 4.10. Spirits cs verwijzen ook naar het verslag van het verhoor van [N] , waarin staat: “Besides, a written consent to a reorganization into a joint stock company was received from [O] , the Deputy Chairman of the State Commission at the USSR Council of Ministers on foodstuffs and procurement, the Head of the External Economic Relations Department of that Commission.” De rechtbank gaat voorbij aan deze verklaring, omdat [N] door de jaren heen wisselende en daarmee weinig betrouwbare verklaringen heeft afgelegd over de voor deze zaak relevante feiten. Daar komt bij dat onduidelijk is wat de door haar genoemde toestemming precies inhield en hoe die zich verhoudt tot de hiervoor besproken voorwaardelijke toestemming van 5 november 1990. Deze verklaring vormt dus geen grond om terug te komen op de beslissing over stap 1 van het transformatieproces. Wat Spirits cs verder daarover aanvoeren is een herhaling van zetten, waar de rechtbank aan voorbij gaat. 4.11. Stap 3 van de USSR-transformatieprocedure houdt in de uitgifte van aandelen (
  8. a)via openbare inschrijving of (
  9. b)aan personen en entiteiten die samen het arbeidscollectief en het bevoegde staatsorgaan vormden. In het tussenvonnis is geoordeeld dat geen van beide is gebeurd. Daarbij is overwogen dat het aanbieden van aandelen door uitnodigingen te verzenden aan andere Russische staatsbedrijven en mogelijk geïnteresseerde investeerders, niet kan gelden als een openbare inschrijving. De onder 3.1.3, 3.1.4 en 3.1.6 bedoelde uitnodigingen van VAO om aandelen te verwerven, waarop Spirits c.s wijzen, zien op een wijze van aanbieden van de aandelen die niet voldoet aan de eisen van stap 3 van de USSR-transformatieprocedure. Spirits cs wijzen ook op de onder 3.1.5 bedoelde notulen van de bestuursvergadering van VVO van 19 september 1991, waarin staat dat 47 organisaties en bedrijven hebben deelgenomen aan de oprichtingsvergadering. Ook daaruit volgt niet dat de aandelen overeenkomstig de eisen van stap 3 van de USSR-transformatieprocedure zijn aangeboden. 4.12. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat met de (voorlopige) registratie van VAO na opheffing van de USSR, de laatste constitutieve stap

(5)in het USSR-transformatieproces niet op de juiste wijze is uitgevoerd. Dit wordt niet weerlegd door de door Spirits cs in het geding gebrachte stukken. Spirits cs stellen dat ook niet. 4.
  1. Verder komt in de door Spirits cs overgelegde verslagen van de verhoren van [P] en van [D] aan de orde dat een waardebepaling heeft plaatsgehad (stap 2 van het USSR-transformatieproces). Stap 2 heeft echter geen enkele rol gespeeld in het oordeel in het tussenvonnis over de gebrekkige transformatie. Voor stap 4 van het USSR-transformatieproces geldt dat op basis van de notulen van VVO van 19 september 1991 waar Spirits cs op wijst (3.1.5), niet kan worden vastgesteld wat er tijdens de oprichtingsvergadering van 5 september 1991 is besloten. De daarop betrekking hebbende stukken die Spirits cs hebben overgelegd, kunnen dus geen grond zijn voor een ander oordeel over de transformatie van VVO naar VAO volgens de USSR-tranformatieprocedure. 4.
  2. Spirits cs wijzen voorts op schriftelijke verklaringen waaruit volgens hen volgt dat VVO is getransformeerd in VAO. De verklaring van [Q] gaat over de RSFSR-privatiseringsprocedure, waarvan vaststaat dat die niet volledig en juist is gevolgd. Bovendien is onduidelijk waarop deze verklaring is gebaseerd. Dat geldt ook voor de verklaring van [N], waarop Spirits cs wijzen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is een reden temeer om deze verklaring ter zijde te leggen dat [N] door de jaren heen wisselende en daarmee onbetrouwbare verklaringen heeft afgelegd over de voor deze procedure relevante feiten. 4.
  3. In het tussenvonnis is uiteengezet dat opvattingen die destijds in de Russische Federatie werden uitgedragen over de rechtsopvolging van VVO door VAO, niet doorslaggevend zijn voor de vraag of alle stappen van de transformatie zijn doorlopen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verwijzing van Spirits cs naar de conclusies die bij beëindiging van vervolging van [J] zijn getrokken over de transformatie van VVO naar VAO (zie 3.9.6 en 3.9.8). 4.
  4. Het voortbestaan van de VVO na 20 januari 1992 was in het tussenvonnis een bijkomende grond om te concluderen dat geen geldige transformatie van VVO naar VAO heeft plaatsgehad. Reeds daarom is wat Spirits cs daarover aanvoeren geen grond om terug te komen op de beslissing over de geldigheid van de transformatie. Herhaling van zetten 4.
  5. Wat Spirits cs verder aanvoeren ter onderbouwing van hun verzoeken om terug te komen op bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis is een herhaling van zetten waar de rechtbank aan voorbij gaat. Het correctiemechanisme van het terugkomen op een bindende eindbeslissing is niet bedoeld om partijen de mogelijkheid te bieden het debat te heropenen over een afgedaan punt. Wat Spirits cs aanvoeren ter onderbouwing van hun verzoek om terug te komen op de beslissing dat de tot en met het tussenarrest van de Hoge Raad genomen beslissingen in de Rotterdamse procedure kracht van gewijsde hebben, is bovendien achterhaald met het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2020 in de Rotterdamse procedure. 5Algemene overwegingen voor alle betrokken landen 5.
  6. Goede en kwade trouw 5.1.
  7. De rechtbank volgt FKP cs niet in hun betoog dat de beslissing in de Rotterdamse procedure over (het ontbreken van) goede trouw en/of de aanwezigheid van kwade trouw bij ZAO en Spirits International leidend moet zijn in deze procedure. Alleen de kwade trouw bij aanvraag van merken (in de zin van artikel 4 lid 2 Mrl en artikel 2.4, aanhef en onder f, BVIE) is een geharmoniseerd begrip, dat eenvormig moet worden uitgelegd. De uitleg en toepassing van goede en kwade trouw zijn bij de andere geschilpunten niet geharmoniseerd. Het zijn ook geen universele begrippen. Evenmin zijn goede en kwade trouw in de betrokken Europese landen identieke civielrechtelijke begrippen. De goede en kwade trouw zal steeds moeten worden beoordeeld naar het recht van het betrokken stelsel. De rechtbank voegt daaraan toe dat de relevante feiten – bijvoorbeeld de registratiegeschiedenis – niet noodzakelijkerwijs dezelfde zijn voor alle landen. Verder heeft de partijdiscussie over de relevante feiten zich door de jaren heen ontwikkeld en zijn deze feiten nader onderbouwd met aanvullende producties, waardoor de feitelijke beoordeling in deze procedure anders kan uitvallen dan in de Rotterdamse procedure. 5.
  8. Gedragingen van de Russische Federatie 5.2.
  9. FKP betoogt dat de functionarissen van de Russische Federatie vanaf 1992 feitelijk in de greep verkeerden van Russische onderwereldfiguren en stellen dat staatseigendommen door middel van schijnprivatiseringen grootschalig zijn verduisterd; FKP spreekt hier van ‘de roof van de eeuw’. Voor zover FKP hiermee wenst te betogen dat voorbij gegaan moet worden aan de gedragingen van president Jeltsin en andere Russische overheidsfunctionarissen, verwerpt de rechtbank dit betoog. Ook als president Jeltsin en de Russische regering in de greep waren van oligarchen, die ten eigen bate het Russische overheidsbeleid dicteerden, zoals FKP cs betogen, moeten de door Spirits cs aangehaalde gedragingen van Russische functionarissen en andere overheidsorganen in beginsel worden toegerekend aan de Russische Federatie; zij gelden als gedragingen van de Russische Federatie. Deze toerekening volgt uit het internationaal publiekrechtelijk beginsel van eenheid van de staat en de omstandigheid dat staten abstracte rechtspersonen zijn, die handelen door middel van hun organen. 5.2.
  10. De USSR en de RSFSR-overheidsorganen werden door VVO op de hoogte gehouden en/of hielden de lopende transformaties en privatiseringen bij (zie onder 3.1.1 en 3.1.2 en onder 2.16, 2.17, 2.19, 2.21 en 2.24 in het tussenvonnis). Nu VVO niet was getransformeerd, bleef de Russische Federatie vanaf 1992 eigenaar van VVO. De Russische Federatie moet dus geacht worden te hebben geweten dat VVO niet was getransformeerd in VAO. De Russische Federatie wist ook dat VAO de activiteiten van VVO feitelijk had voortgezet en ondersteunde VAO daarin, door bijvoorbeeld aan VAO opdrachten te geven en bevoegdheden toe te kennen die eerder voor VVO waren (zie 3.2.1 t/m 3.2.3, 3.2.5 en 3.2.6 en 3.2.8), door mee te werken aan betaling door VAO van schulden van VVO (zie 2.41 tussenvonnis) en door in en buiten rechte VAO actief en volmondig te erkennen en ondersteunen als rechtsopvolger van VVO en rechthebbende van de merken, zowel in buitenlandse procedures (zie 3.3.1 t/m 3.3.3 en 3.3.6) als ten aanzien van de Russische merken (zie 3.5 en 3.7). De Russische Federatie heeft in de jaren na 1992 gedurende langere tijd klip en klaar te kennen gegeven dat de merken berustten bij VAO en niet van VAO konden worden afgenomen. De volgens FKP valse verklaringen van [B] (zie 3.3.4 en 3.3.5) en [E] (zie 3.3.3) zijn slechts enkele van de vele bewijsmiddelen waaruit deze opstelling van de Russische Federatie volgt. Ook als deze verklaringen vals zouden zijn, blijft de erkenning en volmondige steun van de Russische Federatie aan VAO overeind. Deze steun van de Russische Federatie aan VAO volgt ook uit de gang van zaken rond het herstel van de Russische merken (zie 3.5). 5.
  11. Kennis van VAO 5.3.
  12. VAO moet geacht worden ab initio haar eigen oprichtingsgeschiedenis als rechtspersoon te kennen. Dat betekent dat VAO geacht moet worden te weten dat niet alle stappen van het USSR-transformatieproces goed waren doorlopen. VAO wordt dus geacht te hebben geweten dat zij niet de rechtsopvolger onder algemene titel van VVO was. Die veronderstelde wetenschap van VAO is bij voortduring aanwezig geweest, ook toen haar bestuurders andere personen werden. VAO wist dat in de buitenlandse procedures vraagtekens werden gesteld bij de geldigheid van de transformatie (zie 3.4). VAO wist of had moeten weten dat zij met haar standpunt over haar rechtspositie in die procedures een onjuiste voorstelling van zaken gaf, ook al werd zij daarin actief gesteund door de Russische Federatie. 5.3.
  13. Hoewel alle betrokken merkenregisters de mogelijkheid bieden om een merk te laten overschrijven op basis van een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming of een rechtsopvolging of een andere rechtsovergang, heeft VAO er in alle betrokken landen voor gekozen om aan de merkregisters door te geven dat een naamswijziging van V(V)O naar VAO had plaatsgehad. Daarmee heeft VAO een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Dat wordt niet anders door het betoog van Spirits cs dat het destijds naar Russisch recht niet ongebruikelijk en toelaatbaar was om een overdracht of een rechtsovergang als naamswijziging door te voeren in het Russische merkenregister. Wat mogelijk en toelaatbaar is in de betrokken landen wordt niet beheerst door Russisch recht. Dit argument van Spirits cs kan hoogstens verklaren dat VAO mogelijk dacht dat de overgang van de merken als naamswijziging kon worden doorgegeven. In het advies van 10 mei 1993 van Baker&McKenzie is VAO erop gewezen dat dit naar westerse maatstaven niet toelaatbaar was (zie 3.4.7). VAO wist daardoor of moest weten dat zij met het doorgeven van een naamswijziging van V(V)O naar VAO – en met de bij de verzoeken gevoegde verklaringen van [G] (zie hierna bij de bespreking van de vorderingen naar het recht van de dertien landen) – naar westerse maatstaven een verkeerde voorstelling van zaken gaf. Dat zij zich rekenschap heeft gegeven van het Baker&McKenzie advies, blijkt ook uit de overeenkomst die zij op 5 september 1994 sloot over de Australische merken (zie 3.4.10). 5.
  14. Het onderzoek van [R] en [J] bij verwerving van de aandelen in VZAO 5.4.
  15. Anders dan partijen in eerste instantie tot uitgangspunt namen en als vaststaand is aangenomen, is [R] niet eerst in dienst getreden van VAO/VZAO. Hij werd in mei 1997 bestuursvoorzitter van VZAO. [G] is toen ontslagen en [J] werd benoemd tot secretaris van de Raad van Bestuur van VZAO. [R] betrokkenheid bij VAO ving aan met een ontmoeting in 1996 met [S] , de directeur van een andere destilleerderij, die volgens Spirits cs zorgen uitte over VAO. [R] heeft in 1996 geïnvesteerd in een andere distilleerderij, namelijk Rosvestalko in Kalingrad, één van de toeleveranciers en ook één van de aandeelhouders van VAO. Vervolgens is [R] aandelen en aandeelhoudersvolmachten gaan verwerven in VAO. De rechtbank acht de aantijgingen van FKP over daarbij aangewende afpersing en geweld niet relevant en gaat daaraan voorbij. 5.4.
  16. Spirits cs stellen dat [R] , voordat hij overging tot de koop van de aandelen, voor zover mogelijk documenten betreffende de toestand van VZAO had beoordeeld. Niet ter discussie staat dat dit onderzoek niet gelijkgesteld kan worden met een due diligence naar westerse maatstaven. [R] en [J] hebben tijdens de comparitie van partijen als informant op vragen van de rechtbank verklaard over dit onderzoek. Zij zijn niet als getuige gehoord en zijn dus ook niet beëdigd. 5.4.
  17. In navolging van partijen gaat de rechtbank ervan uit dat de kennis van [R] en [J] kan worden toegerekend aan de door hen bestuurde ZAO en Spirits International. Hun kennis kan ook worden toegerekend aan de door hen bestuurde VZAO. Voor [J] geldt dat hij als jurist meer dan een gemiddelde persoon in staat moet zijn geweest juridische kwesties – zoals de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO – te onderzoeken en doorgronden. Bij dit alles dient bedacht te worden dat de rechtbank VAO bekend acht met de onvolkomen transformatie, zodat de kennis van [R] en [J] verkregen als bestuurders van VZAO met name van belang is voor de aan ZAO en Spirits International toe te rekenen kennis. 5.4.
  18. Uit de verklaringen van [R] en [J] volgt dat hun onderzoek uit twee delen bestond: in het eerste deel, van 1996 tot mei 1997, hadden zij geen toegang tot de administratie van VZAO. Zij moesten toen afgaan op mondelinge informatie, stukken die zij kregen en stukken uit openbare bronnen. In het tweede deel van het onderzoek, van mei 1997 tot de tweede helft van 1997, hadden [R] en [J] volledig toegang tot de interne stukken van VZAO. De rechtbank bespreekt beide delen van het onderzoek tezamen, eerst de gesprekken met [G] en daarna het door [J] uitgevoerde onderzoek naar de stukken. De kwalificatie van deze wetenschap en de beoordeling van de betekenis daarvan, komt, voor zover relevant, aan de orde bij de beoordeling van de verschillende geschilpunten naar het recht van de betrokken landen. Hetzelfde geldt voor de vraag of en in hoeverre [R] en [J] een onderzoeksplicht hadden. Gesprekken met [G] 5.4.
  19. Niet in geschil is dat [R] en [J] medio 1996 voor het eerst contact hadden met [G] . Hoewel [J] heeft verklaard dat VZAO niet met hem wilde praten, staat vast dat [R] en [J] in 1996 een paar keer hebben gesproken met [G] en andere medewerkers van VZAO, waaronder [N] . Onder verwijzing naar een ongedateerde schriftelijke verklaring van [N] , stelt FKP dat [G] bij één van die gelegenheden [R] en [J] heeft gewaarschuwd dat geen geldige transformatie had plaatsgehad, waarop [R] zou hebben gezegd dat hij dat wist en een plan had ‘to work around this’. De verklaring van [N] vermeldt: “In 1996 [R] and [J] appeared on the scene. [R] expressed a very keen interest in the organisation. He inquired about every little detail concerning trademark rights, sales figures, foreign distributors, the legal situation etc. I am sure that [R] and [J] (who was a lawyer) knew about the legal defects of the "legal succession" from VVO to VAO. It was in the presence of Mr [T] and myself that Mr [G] warned [R] that the transformation of VVO had not taken place and owing to this fact there were no legal grounds for succession. [R] replied that he knew about the legal defects, but that he had planned a way to work around this.” 5.4.
  20. [N] heeft dit op 13 november 2013 herhaald toen zij werd gehoord als getuige in de Griekse procedure. Een brief van [G] aan FKP (met een onleesbare datum) vertelt hetzelfde verhaal: “In November-December of 1996, the aforementioned group bought up the shares of VAO "Soyuzplodoimport". Several meetings and contacts with [R] and [J] and myself took place at that time. I tried to explain to them that buying the shares of VAO "Soyuzplodoimport" would not give them the opportunity to legally possess the trademark rights, as there were no legal grounds to consider VAO "Soyuzplodoimport" the legal successor of GP VVO "Soyuzplodoimport", that there were insufficient legal grounds for the trademark rights to be passed to VAO "Soyuzplodoimport", and that the state remained the actual holder of the trademark rights.(…) But [R] and [J] claimed that they had worked out an action plan that would enable them to escape legal claims from the state on the matter of the trademark rights.” 5.4.
  21. Zowel [N] als [G] hebben echter, zoals ook hiervoor is overwogen, wisselende verklaringen afgelegd. Zij hebben door de jaren heen – zowel voor als na hun hiervoor geciteerde verklaringen – ook herhaald verklaard dat VAO na een geldige transformatie de rechtsopvolger van VVO en rechthebbende van de merken was. Zo heeft [G] in zijn verhoor op 11 november 2009 in het Russische strafrechtelijk onderzoek tegen hem, ontkend dat hij wist van enig gebrek in de transformatie en heeft hij niets verklaard over een gesprek met [R] en [J]. [N] heeft bijvoorbeeld in 1996 in de Amerikaanse procedure tussen PepsiCo en Cristall verklaard, op de vraag of de juridische status van VVO op enig moment veranderde: “Yes, on February 20, 1992, we became the foreign economic joint stock company and we became the legal successor of the foreign trade association SPI. Correction, that was Januari 20.” Tegenover de verklaringen van [N] en [G] staat een andersluidende schriftelijke verklaring van [R] : “Neither in our in-person meetings, nor in the other meetings and contacts, did Mr. [G] ever express any doubts as to the legality of procedure of transformation of the state enterprise VVO "Sojuzplodoimport" into the private company VAO "Sojuzplodoimport." ·Indeed, Mr. [G] never warned me as an investor on the possible defects of VAO's title to the Russian vodka trademarks ("Stolichnaya", "Moskovskaya", etc.). (…) As mentioned, I also had some other contacts with Mr. [G] in
  22. Again, Mr. [G] never expressed any doubts as to the legality of procedure of transformation of the state enterprise VVO "Sojuzplodoimport" into the private company VAO "Sojuzplodoimport" and never warned me as the investor on the possible defects of VAO's title to the Russian vodka trademarks ("Stolichnaya", "Moskovskaya", etc.” 5.4.
  23. Niet kan dus als vaststaand worden aangenomen dat [G] [R] en [J] heeft gewezen op de gebrekkige transformatie. Ook overigens zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [R] en [J] vóór mei 1997 kennis hadden van de gebrekkige transformatie. Dat volgt niet uit de onder 3.8 bedoelde brieven van [A] , waarop FKP wijst. Diens voorspelling dat ‘sooner or later the question of brand ownership will be disputed by the Government’ (zie onder 3.8.1) is niet meer dan een – achteraf juist gebleken – speculatie over wat de Russische Federatie zou gaan doen. Onderzoek naar de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO 5.4.
  24. Uit de verklaringen van [J] en [R] volgt dat [J] het onderzoek naar de geldigheid van de transformatie heeft gedaan en aan [R] rapporteerde. [R] is volgens deze verklaringen afgegaan op de conclusie van [J] dat de transformatie geldig was. De rechtbank concentreert zich daarom op wat [J] wist of moest weten. 5.4.
  25. [R] en [J] noemen in hun verklaringen een in 1995 door/voor PepsiCo uitgevoerde due diligence. [J] heeft verklaard dat hij mails daarover heeft gezien op de computer van iemand anders en gesprekken over deze due diligence heeft gevoerd. Hij heeft verklaard dat hij deze due diligence verder niet nauwkeurig heeft bestudeerd, omdat de bevindingen in lijn waren met zijn eigen onderzoek. De rechtbank gaat voorbij aan deze due diligence, die voor [J] kennelijk alleen van belang is geweest als bevestiging van zijn eerder getrokken conclusies. 5.4.
  26. Volgens Spirits cs gaven de volgende documenten aan [R] het vertrouwen dat VAO rechtsopvolger van VVO was: de onder 3.3.1 bedoelde verklaring van 8 mei 1992 van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin staat dat VAO rechtsopvolger van VVO is en rechthebbende van de merken; het onder 3.2.1 bedoelde verzoek van 6 augustus 1992 van VAO aan de minister van Buitenlandse Economische Betrekkingen om – net als VVO eerder – een vergunning te verkrijgen voor groente import uit Polen; de onder 3.3.2 bedoelde verklaring van 23 oktober 1992 van Rospatent, waarin staat dat VAO rechthebbende is van de buitenlandse merken en rechtsopvolger van VAO is; de onder 3.3.4 bedoelde verklaring van 29 december 1992 van de Russische onderminister van Landbouw, waarin staat dat VAO rechtsopvolger van VVO is; de onder 2.50 van het tussenvonnis en 3.3.3 bedoelde brieven van de Russische onderministers van landbouw en buitenlandse economische betrekkingen van 22 en 28 oktober 1992, waarin staat dat VAO rechtsopvolger van VVO is; de onder 2.45 en 2.54 van het tussenvonnis bedoelde certificaten van de Russische Kamer van Koophandel en Industrie van 7 augustus 1992 en 27 april 1993, waarin staat dat VAO rechtsopvolger van VVO is; het Baker&McKenzie rapport, waarin werd geconcludeerd dat VAO na transformatie rechtsopvolger van VVO was. 5.4.
  27. Deze stukken maken duidelijk dat de Russische Federatie en Russische instanties zoals de Kamer van Koophandel VAO erkenden en ondersteunden als rechtsopvolger van VVO. Alleen het advies van Baker&McKenzie gaat in op de USSR-transformatieprocedure. De conclusie van Baker&McKenzie dat de transformatie geldig is, leunt in belangrijke mate op de ‘validation’ daarvan door Russische overheidsinstanties, door de actieve en volmondige erkenning en ondersteuning van VAO als rechtsopvolger van VVO. Gelet daarop zijn de technical difficulties rond de transformatie waarop Baker&McKenzie wijst kennelijk geen beletsel om uit te gaan van de geldigheid van de transformatie. 5.4.
  28. [J] heeft verklaard dat hij zich, toen hij toegang verkreeg tot de interne stukken van VZAO, om inzicht te krijgen in eventuele financiële risico’s, in de eerste plaats richtte op de schulden van VZAO. Hij heeft toen vastgesteld dat VAO schulden van VVO heeft voldaan en is veroordeeld tot betaling van schulden van VVO (zie 3.2.4, 3.2.7 en 3.2.9). 5.4.
  29. Volgens zijn verklaring is [J] zijn onderzoek naar de transformatie aangevangen met de vraag welke wetgeving daarop van toepassing was. Hij heeft verklaard dat hij concludeerde dat dit de USSR-wetgeving was. Bij het bestuderen van de stukken moet het [J] echter duidelijk zijn geworden dat VVO zich op enig moment (mede) is gaan richten op de RSFSR-regelgeving (zie het onder 3.1.5 bedoelde verslag en de onder 3.1.6 bedoelde brief aan de stad Moskou). 5.4.
  30. [J] heeft volgens zijn verklaring gekeken of de stappen van de USSR-transformatieprocedure correct waren doorlopen door de documenten van het bedrijf te bestuderen, waaronder notulen, het transformatiebesluit en andere interne stukken, zoals correspondentie tussen VAO en verschillende staatsinstellingen en financiële stukken. [J] moet daarbij hebben opgemerkt dat de USSR-transformatieprocedure niet juist en volledig was doorlopen. Anders dan FKP betoogt, was dit niet al bij summier juridisch onderzoek aan het licht gekomen, omdat het een complex vraagstuk betreft, met betrekking tot gebeurtenissen in een chaotische periode met twee mogelijk toepasselijke wettelijke regimes. Bij het stap voor stap bestuderen van de documenten aan de hand van de USSR-transformatieprocedure moet hij echter hebben gezien dat de transformatie van VVO naar VAO gebrekkig was geweest. Vaststaat voorts dat [J] heeft gezien dat de Russische Federatie VAO na 1992 wel volmondig en actief erkende en ondersteunde als rechtsopvolger van VVO en rechthebbende van de merken (zie onder 5.2 en onder meer 3.3., 3.5 en 3.7). 5.4.
  31. [J] heeft verklaard dat hij de stukken uit de buitenlandse procedures heeft bezien. Door zijn bestudering daarvan, wist hij dat de geldigheid van de transformatie, privatisering dan wel rechtsopvolging van VVO naar VAO in rechte in twijfel werd getrokken, hoewel in de buitenlandse procedures ook opinies waren ingebracht waarin het tegenovergestelde werd betoogd. Nauwkeurige analyse van de buitenlandse uitspraken zou hebben geleerd dat in de Amerikaanse procedures geen oordeel is gegeven over de geldigheid van de transformatie (zie 3.4.3 t/m 3.4.5) en in de Australische procedure helemaal geen motivering is gegeven voor het bevel tot overdracht van de Australische merken door Inchcape aan VAO (zie 3.4.11). Die beslissingen waren dus niet kenbaar gebaseerd op het nauwkeurig stap voor stap beoordelen van de toepasselijke transformatie of privatiseringsprocedure. 5.4.
  32. [J] heeft verklaard dat hij tot de conclusie is gekomen dat de mogelijkheid om de transformatie in de Russische Federatie aan te tasten naar het volgens hem toepasselijke Russisch recht was verjaard. Deze door [J] getrokken conclusie neemt niet weg dat hij, zoals hiervoor is vastgesteld, op basis van het onderzoek dat hij volgens zijn verklaring heeft uitgevoerd naar de transformatie, wist of moest weten dat de USSR transformatieprocedure niet geheel en juist doorlopen was. Onderzoek naar de merken en de verzoeken tot naamswijziging 5.4.
  33. [J] heeft verklaard dat de merkrechten een belangrijk deel van zijn onderzoek vormden. Dat ligt ook voor de hand, want de wodkamerken waren het voornaamste actief van de onderneming. Bij het doornemen van de merkenportefeuille waarover [J] heeft verklaard, zal [J] hebben gezien dat waar de merken in de betrokken landen op naam van VAO waren geregistreerd, dit was bewerkstelligd door een verzoek tot naamswijziging van VVO naar VAO. [J] heeft verklaard dat hij destijds heeft kennisgenomen van het Baker&McKenzie rapport. Daardoor en door de onder 3.4.10 bedoelde vaststellingsovereenkomst, wist [J] of had hij moeten weten dat naar westerse maatstaven een verkeerde voorstelling van zaken was gegeven met het doorgeven van de naamswijziging. Bij het doornemen van de merkenportefeuille moet hij verder hebben gezien dat de aanvraag een naamswijziging door te voeren daadwerkelijk tot vragen had geleid in Noorwegen en Italië. [J] wist ook of moest weten dat VZAO met de na mei 1997 gedane verzoeken tot naamswijziging en de daarbij gevoegde verklaring van [J] , een onjuiste voorstelling van zaken werd gegeven. Als jurist moet hij hebben geweten dat VZAO – uitgaande van een geslaagde transformatie van VVO naar VAO – zou moeten verklaren dat VAO als rechtsopvolger van VVO de merken had verkregen van VVO. Slotsom onderzoek 5.4.
  34. Op basis van zijn onderzoek naar de geldigheid van de transformatie wist [J] of moest hij weten dat de volgens hem toepasselijke USSR transformatieprocedure niet volledig en juist doorlopen was. Hij wist ook dat de geldigheid van de transformatie ter discussie is gesteld in verschillende procedures en hij heeft volgens zijn verklaring geconcludeerd dat de mogelijkheid om de transformatie in de Russische Federatie aan te tasten was verjaard. [J] wist ook of moest weten dat naar westerse maatstaven een verkeerde voorstelling van zaken werd gegeven met de verzoeken tot naamswijziging en dat dit tot vragen had geleid in Noorwegen en Italië. 5.
  35. Overdrachten van de merken en de daarbij betaalde koopprijs 5.5.
  36. De overdrachten van de merken vonden plaats in het kader van een herstructurering die volgens FKP louter en alleen bedoeld was om de Russische Federatie te benadelen. Deze stelling wordt weerlegd door het met verklaringen van de betrokken adviseurs van PricewaterhouseCoopers (PwC) onderbouwde betoog van Spirits cs dat de herstructurering en de overdrachten van de merken om fiscale redenen waren geadviseerd door PwC en waren ingegeven door bedrijfseconomische motieven. Daarbij was een belangrijke overweging dat men vanwege het politieke en economische klimaat in die tijd liever zaken deed met niet-Russische dan met Russische ondernemingen. Dit wordt bevestigd door de schriftelijke verklaringen van de betrokken belastingadviseurs van PwC, [U] en [V]. Zo staat in de verklaring van [V] : “
  37. (…) I advised that from a fiscal point of view it would make more sense to have the foreign-registered trademarks owned by a corporate entity which was registered in a tax efficient location. In the global and economic climate at the time, it was common knowledge that it made better commercial sense for any foreign company to transact with a non-Russian entity.
  38. I advised that it would be more tax-efficient for the ownership of the foreign vodka trademarks to be tranferred to a Dutch entity and to transfer the managing seat of this entity to the Dutch Antilles. This was a tested structure used in similar trademark related situations and a tax ruling could be obtained in the Antilles. The benefit of this system was that future income derived from the vodka trademarks would incur minimum tax liability. (…)
  39. I also advised that the trading activities of the SPI Group be actively managed by a company based in the Republic of Cyprus. Given the nature of the business a favourable tax ruling could be obtained in Cyprus allowing the SPI Group to benefit from favourable corporate tax treatment in the Republic of Cyprus. (…)” 5.5.
  40. De rechtbank concludeert hieruit dat de herstructurering en de overdrachten van de merken in ieder geval mede waren ingegeven door de door Spirits cs genoemde bedrijfseconomische en fiscale motieven. De in de overeenkomsten genoemde koopprijzen (USD 300.000 en USD 800.000) zijn maar een fractie van de werkelijke waarde van de in 1999 en 2000 overgedragen merken – de Russische merken én alle buitenlandse merken – die toen eerder in de buurt van een miljard USD (of meer) of in ieder geval honderden miljoenen USD moet hebben gelegen. Zo is in de Financial Matters procedure vastgesteld dat de waarde van het mee verkochte Amerikaanse Stolichnaya-merk in 1992-1993 ruim 100 miljoen USD bedroeg en hadden de Russische merken, naar FKP onweersproken stelt, in 1995 een geschatte waarde van 400 miljoen USD. De door OAO in de procedure bij het EHRM genoemde schade als gevolg van de onder 3.10.3 bedoelde nietigverklaring van artikel 2 van de statuten van VAO door de Russische Hoge Raad op 16 oktober 2001 – te weten ruim 145 miljoen USD schade in de zes maanden na 16 oktober 2001 als gevolg van het verlies op de Russische merken – duidt ook op een veel hogere waarde van de overgedragen merken en licenties. Het in de onder 3.9.7 bedoelde brief van 19 februari 2000 genoemde verlies aan miljarden roebels aan inkomsten voor de Russische Federatie uit de Russische merken, wijst eveneens erop dat de koopprijs te laag was, ook voor intercompany overdrachten. Het betoog dat de koopprijs van USD 800.000 onder meer reëel was omdat de waarde van de Russische merken door de doorhaling op 7 augustus 1991 verloren was gegaan, is in tegenspraak met de claim in de EHRM-procedure over de waarde van de in 1999-2000 herstelde Russische merken en hetgeen Spirits cs in het kader van het betoog over het ‘national champions’ beleid van Poetin zelf aanvoeren over de enorme wodka-inkomsten waar de Russische Federatie van wilde profiteren. Gezien het enorme verschil tussen de indicaties van de werkelijke, zeer hoge, waarde van de merken die zijn overgedragen – de Russische merken én alle buitenlandse merken – hebben Spirits cs met hun niet gesubstianteerde betoog dat de koopprijs van USD 800.000 is gebaseerd op de door een deskundige vastgestelde boekwaarde en dat het gaat om door PwC aanbevolen waarderingen, het standpunt van FKP cs dat de koopprijzen niet reëel zijn onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom moet als vaststaand worden aangenomen dat de kooprijzen niet reëel waren. 5.
  41. Einde steun en erkenning door de Russische Federatie en opeising merken 5.6.
  42. Na afloop van het moratorium op 7 mei 1997 ten aanzien van de Russische merken, hebben VZAO en daarna ZAO deze merken met steun van de Russische Federatie gehandhaafd (zie 3.7). In het tussenvonnis is ervan uitgegaan dat deze actieve steun van de Russische Federatie tot 1999/2000 voortduurde. Wat partijen over en weer naar voren brengen over de reden van deze koerswijziging van de Russische Federatie, kan onbesproken blijven. Dat is niet relevant voor de feitelijke vaststelling dat de Russische Federatie in 1999 haar actieve steun aan VAO (en ZAO) heeft gestaakt en het standpunt heeft betrokken dat VAO geen rechthebbende van de merken was. 5.6.
  43. Volgens Spirits cs was het onder 2.67 van het tussenvonnis bedoelde verzoek aan ZAO van 11 januari 1999 – naar achteraf is gebleken, zo begrijpt de rechtbank de strekking van deze opmerking – het startschot voor de opeising van de merken door de Russische Federatie. De vragen in die brief zijn echter zeer algemeen gesteld en gingen niet over de geldigheid van de transformatie en de rechten op de merken. Het daarop volgende strafrechtelijk onderzoek, dat zich eerst richtte op vergunningen en fiscale kwesties (zie 3.9.1), is in juni 1999 uitgebreid naar de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO en de rechten op de merken. Gesteld noch gebleken is echter dat dit toen kenbaar was voor [R] , [J] en ZAO. [J] , die als verdachte is gehoord, moet wel hebben geweten dat een onderzoek tegen hem liep, net als ZAO waar beslagen zijn gelegd, maar er is geen reden om te veronderstellen dat zij de werkelijke strekking van dat onderzoek kenden. De rechtbank volgt FKP dus niet in haar betoog dat [R] , [J] en ZAO in mei 1999 door de beslagen die toen werden gelegd (zie het tussenvonnis onder 2.73) wisten of hadden moeten begrijpen dat de Russische Federatie (daarmee) de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO en de rechten op de merken ter discussie stelde. 5.6.
  44. In een schriftelijke verklaring van [R] staat dat hij tot november 2000 niet wist dat de transformatie van VVO naar VAO werd betwist: “I had no idea that the legal succession between VVO "Sojuzplodoimport" and VAO "Sojuzplodoimport" was contested by anybody until November 2000, when the Public Prosecutor filed suit against OAO "Plodovaya Kompaniya" and challenged the legal succession between VVV-"Sojuzplodoimport" and VAO ''Sojuzplodoimport".” De procedure waar [R] op doelt is uitgemond in de onder 3.10.3 bedoelde nietigverklaring van artikel 2 van de statuten van VAO in januari 2000, op de in november 1999 uitgebrachte vordering van de openbaar aanklager. Waar hij spreekt over november 2000 vergist [R] zich dus waarschijnlijk in het jaar. De nietigheid van artikel 2 van de statuten van VAO is gebaseerd op de gebrekkige transformatie van VVO naar VAO. De rechtbank concludeert daarom dat [R] – en daarmee ook ZAO en Spirits International – in november 1999 wisten of moesten weten dat de Russische Federatie de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO en het recht van ZAO op de merken ter discussie stelde. Daarmee was voor hen ook duidelijk dat de Russische Federatie niet langer instemde met de positie van VAO als rechtsopvolger van VVO en rechthebbende van de merken. De rechtbank stelt derhalve vast dat voor een beroep van Spirits cs op steun en erkenning door de Russische Federatie na november 1999 een feitelijke grondslag ontbreekt. 5.
  45. Toepasselijk recht en toepassing van buitenlands recht 5.7.
  46. In het tussenvonnis is geoordeeld dat de resterende geschilpunten over de merken worden beheerst door het recht van de betrokken landen. De rechtbank stelt dat oordeel bij in de zin dat de in deze procedure ingestelde rechtsvorderingen worden beheerst door Nederlands recht. De rechtbank doelt daarmee op de rechtsvordering als processueel middel om een aanspraak af te dwingen of te handhaven. Dit processueel middel moet worden onderscheiden van het materiële recht van de schuldeiser (de vordering of de aanspraak als zodanig) en ook van de bevoegdheid om dat recht geldend te maken (het vorderingsrecht). De rechtsvordering als processueel middel valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de reikwijdte van de in artikel 10:3 BW bedoelde ‘wijze van procederen’ waarop Nederlands recht van toepassing is. De daarvan te onderscheiden materiële aanspraak van FKP en de bevoegdheid om dat recht geldend te maken, worden beheerst door het recht van de betrokken landen. 5.7.
  47. Voor de hierna volgende beoordeling van de geschilpunten naar buitenlands recht geldt, in aanvulling op het tussenvonnis, het volgende. De rechtbank moet de inhoud van het buitenlands recht ambtshalve vaststellen. Zij dient zelf de inhoud van het buitenlandse recht te onderzoeken en mag het buitenlandse recht niet als ‘feit’ door partijen, getuigen of deskundigen laten bewijzen. Anders dan in sommige andere rechtsstelsels, hebben de verklaringen van partijen over de inhoud van het buitenlands recht geen andere procesrechtelijke status dan stellingen. Het buitenlandse recht moet zo veel mogelijk worden toegepast en uitgelegd op de manier waarop dit in het betrokken land gebeurt, met inbegrip van bijvoorbeeld rechtspraak en literatuur en van aldaar geldende opvattingen omtrent vraagstukken als de wijze van wetsinterpretatie. Het is niet aan de Nederlandse rechter om een geheel nieuwe rechtsontwikkeling in te luiden in de rechtsstelsels van de betrokken landen. Daarvan zou sprake zijn indien een nieuwe rechtsvormende richting wordt ingeslagen. Een nieuwe rechtsontwikkeling is echter niet aan de orde, als een beslissing, die past binnen het toepasselijke stelsel en de wijze waarop dit wordt toegepast, nog niet eerder precies zo is genomen in het betrokken land. 5.7.
  48. De instructies in het tussenvonnis over de uitlatingen over het toepasselijk buitenlands recht sloten aan op de partijdiscussie, zoals die tot dan toe was gevoerd, waarbij FKP cs hun vorderingen primair baseerden op Nederlands recht en Spirits cs hun verweren voerden in de sleutel van de Nederlandse rechtsfiguren verkrijging te goede trouw, rechtsverwerking en verjaring. Het toepasselijke buitenlandse recht kent echter andere rechtsfiguren. De rechtbank laat de aan het Nederlands recht ontleende terminologie los en zal de geschilpunten beoordelen aan de hand van de rechtsfiguren uit het toepasselijk recht. 5.7.
  49. Partijen hebben de rechtbank in de processtukken en tijdens de zittingen, onderbouwd met opinies van door hen ingeschakelde deskundigen, geïnformeerd over de volgens hen relevante inhoud van het recht van de betrokken landen. Voor zover de tektsen niet in de Engelse, Franse of Duitse taal waren opgesteld, hebben partijen Engelse vertalingen van relevante wetteksten, (delen van) jurisprudentie en literatuur overgelegd. De hierna geciteerde Engelse vertalingen, zijn de door partijen overgelegde vertalingen. Ter vervulling van haar taak de inhoud van het buitenlands recht ambtshalve vast te stellen, heeft de rechtbank voorts eigen onderzoek gedaan naar de inhoud van het relevante recht in de betrokken landen. 5.7.
  50. In het licht van het voorgaande geldt dat voor toewijzing van het door FKP onder I en II primair gevorderde bevel op grond van artikel 3:296 BW vereist is dat Spirits IntPro op grond van het recht van het betrokken land jegens FKP verplicht zijn alle noodzakelijke handelingen te (doen) verrichten om de merkregistraties voor de merken op naam te doen stellen van, althans over te dragen aan, FKP. Als het gevorderde bevel kan worden toegewezen, kan ook de onder I en II gevorderde in de plaatsstelling worden toegewezen. De subsidiair gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen als komt vast te staan dat het betere recht op de merken nog steeds bij FKP berust. 5.7.
  51. Bij toewijzing van vordering I en II, moeten de inbreuk- en schadevorderingen van FKP worden beoordeeld naar het recht van de betrokken landen. Bij afwijzing van vordering I en II (primair en subsidiair) blijven de desbetreffende merken op naam van Spirits IntPro geregistreerd en wordt niet toegekomen aan beoordeling van de inbreuk- en schadevorderingen van FKP. 5.7.
  52. De voorwaarde voor de reconventionele vorderingen – namelijk dat wordt geoordeeld dat FKP en/of FGUP vorderingsgerechtigd zijn en de vorderingen ter zake de gestelde gebreken in de privatisering van de VVO tot VAO niet zijn verjaard – is vervuld, zodat de reconventionele vorderingen van Spirits IntPro moeten worden beoordeeld. 5.
  53. Artikel 1 EP, artikel 17 EU-Handvest, extraterritoriale confiscatie 5.8.
  54. De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van FKP op en de algemene verwijzingen van de deskundigen van beide partijen naar het in artikel 1 EP en artikel 17 lid 1 EU-Handvest neergelegde recht op eigendom en de in het tweede lid van artikel 17 EU-Handvest neergelegde bescherming van intellectuele eigendomsrechten. Deze grondrechten gelden niet rechtstreeks in de verhouding tussen partijen. Los van de vraag of en zo ja hoe dat in die rechtsstelsels zou moeten worden bewerkstelligd, kan met deze niet nader uitgewerkte verwijzingen naar deze grondrechten, niet worden bewerkstelligd dat de rechtbank daaraan horizontale werking toekent bij beoordeling van de resterende geschilpunten naar het recht van de betrokken landen. 5.8.
  55. Het betoog van Spirits cs dat de bevelen tot medewerking aan opnaamstelling van FKP neerkomen op niet toegestane extraterritoriale confiscatie door de Russische Federatie, gaat niet op. FKP heeft de vorderingen in deze procedure ingesteld op grond van het door haar ingenomen standpunt dat tot aan de overdracht van de merken aan FKP, de Russische Federatie altijd rechthebbende is gebleven van de merken, die achtereenvolgens bij de staatsondernemingen VO, VVO, FGUP en FKP in beheer waren. Als dat standpunt van FKP juist is, hetgeen de rechtbank hierna beoordeelt, is geen sprake van onteigening, confiscatie of nationalisatie. Evenmin is sprake van erkenning van een Russische nationalisatiemaatregel, nu de beslissing het resultaat is van een eigenstandige beoordeling van de rechtbank van de standpunten van partijen aan de hand van het op de geschilpunten toepasselijk recht. 6Beoordeling van de resterende geschilpunten per land 6.
  56. Verenigd Koninkrijk 6.1.
  57. In het Verenigd Koninkrijk gaat het om de volgende merken op naam van Spirits International (zie 2.95 van het tussenvonnis, hierna gezamenlijk: de VK merken): a. het hierna weergegeven woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 3 juni 1969 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 943498, voor waren en diensten in klasse 33:Het register bevat de volgende aantekeningen en beperkingen:The Trade Mark is limited to the colours green, white, gold, black and red as shown in the representation of the form of application. The transliteration of the Cyrillic characters appearing in the device in the upper half of the mark is "S.P.I.". The Russian words "Moskovskaya Osobaya Vodka" appearing in the mark mean "Moscow Special Vodka" en Registration of this mark shall give no right to the exclusive use of the words "Moskovskaya Osobaya" and the Cyrillic characters of which the transliteration is "S.P.I”. het hierna weergegeven woord/beeldmerk (logo SPI) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 3 juni 1969 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 943496, voor waren en diensten in klasse 32:Het register bevat de volgende aantekeningen en beperkingen:Registration of this mark shall give no right XXXot he exclusive use of the Cyrillic characters and the letter “C”. het hierna weergegeven woord/beeldmerk (logo SPI) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 3 juni 1969 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 943497, voor waren en diensten in klasse 33 voor wines, brandy, spirits (beverages):Het register bevat de volgende aantekeningen en beperkingen:Registration of this mark shall give no right to the exclusive use of the Cyrillic characters and the letter “C”. het hierna weergegeven woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 11 september 1972 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 998200, voor waren en diensten in klasse 33 (hierna: het VK STOLICHNAYA merk):Het register bevat de volgende aantekeningen en beperkingen:Registration of this mark shall give no right to the exclusive use of the Cyrillic characters appearing in the mark. Met betrekking tot de registratie van deze merken, stelt de rechtbank aanvullend de volgende feiten vast. 6.1.1.
  58. Op 1 juli 1993 is een TM21-formulier (Request to enter change of name of registered proprietor or registered user (…) of a Trade Mark or Service Mark in the Register) d.d. 14 april 1993 ingediend bij het VK merkenbureau voor de VK merken. In de begeleidende brief staat onder meer: “The Registrar may consider in the light of the Declaration that the appropriate new name is VO “Sojuzplodoimport”(Foreign Joint Stock Company “Sojuzplodoimport”) (…).” 6.1.1.
  59. Het TM21-formulier vermeldt onder meer: “I declare that there has been no change in the actual proprietorship of the Registered Mark, or identity of the Registered User.” 6.1.1.
  60. Bij het TM21-formulier was de volgende verklaring d.d. 9 april 1993 gevoegd: “I, [W] , Senior Expert of Law & Treaty Department of the Chamber of Commerce and Industry of Russian Federation, hereby certify that V/O "Sojuzplodoimport” (Vsesojuznoe Objedinenie "Sojuzplodoimport'') amended its name to VAO "Sojuzplodoimport" (Foreign economic joint stock company "Sojuzplodoimport") as of 20th January,
  61. VAO “Sojuzplodoimport'' remained all rights on Trade marks for Russian vodkas registered earlier by V/O "Sojuzplodoimport''. The legal address remained unchanged.” 6.1.1.
  62. Op 20 juli 1993 is een wijziging van het Moskovskaya-merk met nummer 943498 aangevraagd, die is toegekend. Voor die datum had het merk het volgende uiterlijk (waar met potlood overheen is geschreven in het register): 6.1.1.
  63. Op 6 november 1998 is de overdracht (‘assignment’) van de merken van ‘Foreign Economic Closed Joint Stock Company "Sojuzplodoimport" also t/a VZAO Sojuzplodoimport’ naar ZAO geregistreerd.Op 14 september 2000 is de overdracht van de merken van ZAO aan Spirits International geregistreerd. 6.1.
  64. In het Verenigd Koninkrijk verhandelt Spirits cs wodka, met het volgende uiterlijk: in conventie De primaire vordering onder I 6.1.
  65. FKP grondt het gevorderde bevel tot medewerking door Spirits cs aan de tenaamstelling op haar naam van de merkinschrijvingen in het Verenigd Koninkrijk (VK) primair op artikel 64 lid 1 van de Trademark Act (TMA) van het Verenigd Koninkrijk. Artikel 64 TMA luidt als volgt: 64 Rectification or correction of the register. U.K.
(1)Any person having a sufficient interest may apply for the rectification of an error or omission in the register: Provided that an application for rectification may not be made in respect of a matter affecting the validity of the registration of a trade mark.
(2)An application for rectification may be made either to the registrar or to the court, except that— (a)if proceedings concerning the trade mark in question are pending in the court, the application must be made to the court; and (b)if in any other case the application is made to the registrar, he may at any stage of the proceedings refer the application to the court.
(3)Except where the registrar or the court directs otherwise, the effect of rectification of the register is that the error or omission in question shall be deemed never to have been made. 6.1.4. Uit het oordeel van deze rechtbank dat de merken (en dus ook de VK merken) niet (rechtsgeldig) zijn overgegaan in het vermogen van VAO, volgt dat er sprake is geweest van een error bij de inschrijving van VAO als houder van de VK merken in het register. In zoverre is voldaan aan de materiële norm die artikel 64 TMA stelt. Partijen zijn het er echter over eens dat deze rechtbank niet bevoegd is een bevel als bedoeld in artikel 64 lid 2 TMA aan the registrar (het nationale merkenregister UKIPO) te verstrekken, omdat artikel 75 TMA bepaalt: In this Act, unless the context otherwise requires, "the court" means (
  1. a)in England and Wales and Northern Ireland, the High Court, and (
  2. b)in Scotland, the Court of Session. Aan de in artikel 64 lid 2 TMA opgenomen formele eis (application to the court) is dus niet voldaan. FKP stelt zich echter op het standpunt dat deze rechtbank op grond van artikel 3:296 BW jo. 64 lid 1 TMA wel een plicht tot medewerking aan overdracht van de VK merken aan Spirits cs kan opleggen. 6.1.5. Artikel 64 lid 1 TMA vormt een plicht die is geadresseerd aan the registrar, het merkenregister van het Verenigd Koninkrijk. The registrar dient in geval van een foutieve vermelding in het register op verzoek van een belanghebbende en eventueel op bevel van een rechter in het VK, over te gaan tot rectificatie. Deze bepaling bevat niet de materiële norm dat een (als merkhouder ingeschreven) partij een medewerkingsplicht heeft om een rectificatie te bewerkstelligen. Dat de bepaling zo ruim uitgelegd zou moeten worden volgt ook niet uit de door FKP overgelegde zaak Dasema Trading Ltd’s Trade Mark. In die zaak werd op verzoek van een curator door the registrar zelf beslist om het register te verbeteren. Aan artikel 64 TMA kan FKP derhalve geen grond ontlenen voor een rechtsplicht van Spirits cs tot medewerking aan een correctie van het register. De rechtbank kan dus ook geen daarmee corresponderend bevel geven. 6.1.6. FKP beroept zich subsidiair op het geheel van Common Law, dat bestaat uit door rechtspraak gevormd ‘rechtersrecht’. Dat de Nederlandse rechter op grond van haar (eerder in deze procedure vastgestelde) internationale rechtsmacht over Spirits csgrensoverschrijdende bevelen kan geven over de VK merken die Spirits cs dienen op te volgen, waarvoor FKP verwijst naar de Penn v Lord Baltimore case, staat – naar het toepasselijke Nederlandse procesrecht – niet ter discussie. Die grensoverschrijdende rechtsmacht volstaat echter niet. FKP dient de beginselen van Common Law te stellen waarop een verplichting tot medewerking kan worden gebaseerd. 6.1.7. Aanvankelijk heeft FKP zich beroepen op een tweetal torts, te weten de tort of conversion en de tort of unlawful interference. Nadat Spirits cs er op hebbben gewezen dat die torts niet van toepassing zijn op intellectuele eigendom blijkens de case law in OBG v Allan, heeft FKP de grondslagen voor haar vorderingen aangepast in de zin dat zij zich uitsluitend nog naar analogie op deze twee torts beroept. Ter toelichting betoogt FKP daarbij dat deze acties voor merken worden beheerst door de lex specialis van artikel 64 TMA. Nu FKP zelf stelt dat artikel 64 TMA een lex specialis is ten opzichte van deze twee torts, ziet de rechtbank geen grond voor analoge toepassing van die torts op het merkenrecht buiten het bereik artikel 64 TMA. Blijkbaar is er geen case law waarin deze torts zijn toegepast bij toeëigening van intellectuele eigendomsrechten. In feite verzoekt FKP de rechtbank dus om rechtsvormend, buiten het door Engelse rechters gevormde toepassingsbereik daarvan, de beginselen van deze torts analoog toe te passen. Zoals hiervoor overwogen beschouwt de rechtbank het niet als haar rol om buitenlands recht te vormen. De gevraagde analoge toepassing wordt dan ook van de hand gewezen. 6.1.8. De slotsom is dat de primaire vordering I niet toewijsbaar is, omdat deze rechtbank niet bevoegd is the registrar op de voet van artikel 64 TMA te bevelen het register te corrigeren en er naar Engels recht geen verplichting tot medewerking door Spirits cs aan rectificatie van het VK merkenregister bestaat. De subsidiaire vordering I 6.1.9. FKP vordert subsidiair een verklaring voor recht dat zij rechthebbende is op de VK merken. Zij betoogt dat zij met een dergelijk declaratoir vonnis aan the registrar kan verzoeken het register te verbeteren door de VK merken op haar naam te registreren. De rechtbank heeft in het tussenvonnis in r.o. 4.87 en in dit vonnis in r.o. 4.4.3 beslist dat de merken niet door middel van een rechtsgeldige transformatie door VAO zijn verkregen, maar in beginsel in het vermogen van VVO zijn gebleven en vervolgens in beheer zijn gegeven en later zijn overgedragen aan FKP. Daarom dient de rechtbank na te gaan in hoeverre de overige verweren van Spirits cs in de weg staan aan een declaratoir dat FKP de rechthebbende is op deze merken. Estoppel 6.1.10. Spirits cs beroepen zich in de eerste plaats op het leerstuk estoppel. Dit leerstuk, onderdeel van het Engelse equity recht, kan weer worden onderscheiden in proprietory estoppel, estoppel by representation en commom law estoppel by representation. Voor toepassing in deze zaak leidt dat echter niet tot verschillende normen, zodat dit onderscheid onbesproken kan blijven. Kort gezegd komt het verweer er op neer dat iemand zijn recht verspeelt om aanspraak te maken op (eigendom van) een goed, als (
  3. i)hij door zijn gedragingen bij de bezitter de indruk heeft gewekt dat hij zijn recht niet zou gaan uitoefenen en (
  4. ii)de bezitter door die uitoefening wordt benadeeld omdat (iii) hij heeft vertrouwd op de gewekte indruk (detrimental reliance). Uit de [X] case volgt dat een beroep op estoppel ook gedaan kan worden als verweer tegen opeising van een intellectueel eigendomsrecht. 6.1.11. In de zaak [X] oordeelde de House of Lords over de vordering van een bandlid van de band Procol Harum, die na 38 jaar als mede-maker een aandeel opeiste in het gemeenschappelijk auteursrecht op het succesvolle nummer ‘A whiter shade of pale’ en de toekomstige revenuen daarvan. De andere auteurs beriepen zich op estoppel. De House of Lords achtte dat leerstuk in zijn beslissing van toepassing op deze auteursrechtelijke opeisingsactie. Vervolgens oordeelde de House of Lords dat [X1] nog tot opeising kon overgaan, ondanks het feit dat hij daarmee 38 jaar had gewacht. Voor het in die zaak gevorderde declaratoir bestond geen verjaringstermijn. Het beroep op estoppel werd verworpen op de grond dat er geen detrimental reliance was van de gedaagde mede-auteurs op de door [X1] door zijn stilzitten gewekte indruk. In de loop van bijna 40 jaren hadden de andere auteursrechthebbenden immers alle revenuen ontvangen, zonder die te hoeven delen met [X1] . Van benadeling was daardoor geen sprake. 6.1.12. In de onderhavige zaak dient het beroep van Spirits cs op estoppel om dezelfde reden te worden afgewezen. Ook als aangenomen wordt dat de gedragingen van de Russische Federatie voor een beroep op estoppel aan FKP kunnen worden toegerekend en de Russische Federatie met haar in 3.3 beschreven verklaringen en gedragingen de indruk heeft gewekt dat hij niet langer aanspraak zou maken op de VK Merken, hebben Spirits cs onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij benadeeld zijn door het gestelde vertrouwen daarop. Daarvoor is het volgende redengevend. 6.1.13. Uit de door Spirits cs overgelegde literatuur volgt dat de detrimental reliance moet hebben plaatsgevonden in de periode dat de onjuiste indruk bestond. Met andere woorden, nadat voor Spirits cs duidelijk was gew

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.