Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 20-256 Zaaknummer: C/09/593751 Datum beschikking: 15 juni 2021 Beschikking op het op 29 mei 2020 ingekomen verzoekschrift van: [X] , verzoekster, als wettelijk vertegenwoordiger van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats 1] (hierna: [voornaam minderjarige] ), wonende te [woonplaats] , advocaat mr. R.G. Groen te Den Haag. Als belanghebbenden worden aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen de IND, zetelende te Den Haag, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger] , [Y] , de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; de brief van de IND van 18 juni 2020; de brief van 17 augustus 2020 met bijlagen van de zijde van verzoekster; de brief van de IND van 9 november 2020; de brief van 23 december 2020 van de zijde van verzoekster; het e-mailbericht van 19 januari 2021 van de IND; de brief van 28 januari 2021 van verzoekster. Bij e-mailbericht van 19 januari 2021 heeft de IND verzocht om de zaak zo mogelijk op de stukken af te doen. Bij brief van 28 januari 2021 heeft verzoekster laten weten dat de rechtbank zonder voorafgaande zitting uitspraak kan doen. De rechtbank heeft, gelet op deze berichten, geen mondelinge behandeling bepaald. De officier van justitie is bij brief van 11 maart 2021 in de gelegenheid gesteld te concluderen. De officier van justitie heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij advertentie in de Staatscourant van [datum 1] 2021 is de vader opgeroepen om op [datum 2] 2021 om [tijdstip] uur te verschijnen teneinde te worden gehoord op het verzoek. De vader is niet verschenen. De rechtbank heeft de zaak vervolgens op de stukken afgedaan. Feiten Familierechtelijk Verzoekster is geboren op [geboortedatum 2] 1982 te [geboorteplaats 2] , China. De vader is op [geboortedatum 3] 1973 te [geboorteplaats 3] , Iran geboren. Verzoekster en de vader zijn samen de ouders van: - [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 4] 2001 te [geboorteplaats 1] ( [voornaam] ), en - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats 1] ( [voornaam minderjarige] ). [voornaam minderjarige] is voor haar geboorte, op [datum 3] 2003, door de vader erkend. Op de erkenning is het Nederlandse recht toegepast. Verzoekster is op [datum huwelijk] 2007 te [plaats huwelijk] , België, gehuwd met de man. Verzoekster heeft al jaren geen contact meer met de vader en weet niet waar hij verblijft. Nationaliteitsrechtelijk De nationaliteit van de man is onbekend. Waarschijnlijk heeft hij de Iraanse nationaliteit. Op 16 december 2002 heeft verzoekster een verzoek tot naturalisatie ingediend voor haarzelf en voor [voornaam] . Op het moment van indiening van dit verzoek had verzoekster een onbekende nationaliteit. Bij Koninklijk Besluit van [datum 4] 2004 hebben verzoekster en [voornaam] de Nederlandse nationaliteit verkregen door naturalisatie. Op [datum 5] 2007 is er door de Nederlandse Ambassade te Brussel een paspoort op naam van [voornaam minderjarige] afgegeven, met een geldigheidsduur van vijf jaar. Verzoekster heeft met haar kinderen van 2007 tot 2011 in China gewoond. Vanaf 2011 hebben verzoekster en haar kinderen in Canada gewoond. In 2019 is verzoekster samen met haar kinderen teruggekeerd naar Nederland. Aan verzoekster is op 3 september 2019 laatstelijk een Nederlands paspoort verstrekt met een geldigheidsduur van tien jaar. Bij besluit van 17 september 2020 is een aanvraag om een verblijfsvergunning voor [voornaam minderjarige] (opnieuw) afgewezen. Het verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt ertoe: primair: vast te stellen dat [voornaam minderjarige] vanaf haar geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft, met uitvoerbaarverklaring van de beschikking; subsidiair: het ouderschap (i.c. het moederschap) van verzoekster over [voornaam minderjarige] vast te stellen; meer subsidiair: een onderzoek van het DNA van verzoekster en [voornaam minderjarige] te gelasten, waarbij een door de rechtbank benoemde deskundige binnen drie maanden na de beschikking een conclusie aan het DNA zal verbinden, waarbij de kosten van het DNA-onderzoek voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komen, met bepaling dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt, waarna het ouderschap van de moeder wordt vastgesteld en de ambtenaar vervolgens het ouderschap aan de daarvoor in aanmerking komende akte toevoegt; nog meer subsidiair: een bijzondere curator over [voornaam minderjarige] te benoemen. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Beoordeling Verzoekster voert het volgende aan ter onderbouwing van haar verzoeken. Verzoekster heeft op 16 december 2002 een verzoek ingediend tot naturalisatie. Ten tijde van de indiening van dit verzoek was zij nog niet in verwachting van [voornaam minderjarige] . Tijdens de naturalisatieprocedure, voordat er definitief op het verzoek was beslist, is [voornaam minderjarige] geboren. [voornaam minderjarige] heeft na de naturalisatie van verzoekster ook een Nederlands paspoort gekregen. Toen verzoekster dit paspoort in 2019 wilde verlengen, bleek [voornaam minderjarige] volgens de Staat niet langer de Nederlandse nationaliteit te bezitten en heeft zij geen nieuw paspoort gekregen. Dat heeft tot gevolg dat [voornaam minderjarige] nu staatloos zou zijn. Volgens verzoekster zit er een lacune in de naturalisatieprocedure ten aanzien van kinderen die tijdens die procedure geboren worden. [voornaam minderjarige] kon niet delen in de aanvraag omdat zij op dat moment nog niet was verwekt. Zij mag echter niet gediscrimineerd worden ten opzichte van haar zus, die al wel was geboren en voor wie een aanvraag ingediend was. Voor zover de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) niet wordt aangevuld voor tijdens de naturalisatieprocedure geboren kinderen, meent verzoekster dat haar moederschap ten aanzien van [voornaam minderjarige] gerechtelijk moet worden vastgesteld zodat [voornaam minderjarige] alsnog de Nederlandse nationaliteit verkrijgt. Verzoekster beroept zich op het verschil tussen moederschap en ouderschap en stelt dat [voornaam minderjarige] als ongeboren kind onlosmakelijk deel uitmaakte van de moeder en als zodanig de Nederlandse nationaliteit mede heeft verkregen. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Omdat [voornaam minderjarige] op [geboortedatum 1] 2003 is geboren, is op haar de RWN van toepassing die in werking trad op 1 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.