Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/4564 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2021 op het verzoek om een proceskostenveroordeling in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde mr. L.A.M. van der Geld), en college van burgemeester en Wethouders van Westland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 10 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring afgewezen. Bij besluit van 30 juni 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij fax van 8 juni 2021 heeft eiseres het beroep ingetrokken en op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft bij brief van 9 juni 2021 een reactie op het verzoek om proceskostenveroordeling gegeven. De rechtbank heeft bepaald dat een (nadere) zitting achterwege wordt gelaten. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
- Bij email van 3 juni 2021 heeft verweerder de rechtbank onder meer laten weten dat eiseres een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft getekend. Desgevraagd heeft eiseres laten weten het beroep in te trekken, onder veroordeling van verweerder in de proceskosten.
- De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroep heeft ingetrokken omdat zij inmiddels beschikt over woonruimte. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2012:BX1816) volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was.
- De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit niet heeft ingetrokken. Verweerder heeft in zijn reactie van 9 juni 2021 ook aangegeven nog steeds van mening te zijn dat het primaire besluit en het bestreden besluit op goede gronden zijn genomen. Dat eiseres een voorstel is gedaan voor een herstructureringsurgentie is gelegen in gewijzigde feiten en omstandigheden (eiseres woonden per 1 april 2020 in een herstructureringsgebied)
- Nu verweerder het primaire standpunt niet heeft herzien, maar er sprake is van een nieuwe omstandigheid die dateert van na het primaire besluit, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van tegemoetkomen in vorenbedoelde zin. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet open bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij op grond van artikel 8:55, eerste lid van de Awb vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.