RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 20/876 uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam], verzoeker V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.J. Paffen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. A. Hadfy-Kovacs en mr. B. Kemalli-Aydin). Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen de weigering om aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel medische behandeling te verlenen kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken met een gelijktijdig verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 20/877, plaatsgevonden op 27 mei
- Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Kemalli-Aydin. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:75 een bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij de intrekking van het beroep wordt verzocht en verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
- De rechtbank stelt vast dat het verzoek om een veroordeling in de proceskosten gelijktijdig met de intrekking van het beroep is gedaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder door het bestreden besluit in te trekken aan verzoeker is tegemoetgekomen. Dit brengt met zich dat verweerder in beginsel gehouden is om de door verzoeker gemaakte proceskosten te vergoeden. Dit zou alleen anders zijn wanneer er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de noodzaak van verzoeker om beroep in te stellen uitsluitend aan zijn eigen handelwijze te wijten is. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook voldoende aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
- Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 534,- bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor
- Ook moet verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ten bedrage van € 534,- (vijfhonderdvierendertig euro); draagt verweerder op om het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- (honderdachtenzeventig euro) te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.