RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15008 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam] , eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 4 augustus 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- Eiser heeft op 16 december 2018 een asielaanvraag ingediend. Bij uitspraak 26 september 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, geoordeeld dat verweerder niet tijdig op deze aanvraag heeft beslist. Verweerder is toen opgedragen om binnen acht weken na de uitspraak eiser te horen in de algemene asielprocedure. De rechtbank heeft aan het niet opvolgen van die opdracht een dwangsom verbonden van € 100 per dag, met een maximum van € 15.
- Vaststaat dat verweerder aan deze uitspraak tot op heden geen gevolg heeft kunnen geven.
- De omstandigheid dat de periode waarover de aan deze laatste uitspraak verbonden dwangsom wordt verbeurd ten tijde van het instellen van beroep nog niet was verstreken, leidt – anders dan verweerder stelt – niet tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep. Het nu te beoordelen geschil betreft namelijk de vraag of verweerder gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank. Vaststaat dat verweerder dat niet heeft gedaan. Het beroep is dus gegrond.
- De rechtbank is ermee bekend dat er, mede vanwege de omstandigheden rondom de bestrijding van het coronavirus, sprake is van toegenomen achterstanden in het verwerken van asielaanvragen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de uiterste termijn die op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn wordt gesteld aan het nemen van een beslissing op een asielaanvraag. Op grond van deze bepaling moet een asielprocedure binnen 21 maanden zijn afgerond. In dit geval is de aanvraag ingediend op 16 december 2018, wat betekent dat (ook) die termijn inmiddels ruimschoots is verstreken. Tot op heden is de rechtbank niet gebleken dat een voornemen is uitgebracht. Gelet hierop, maar ook met het oog op de door verweerder in acht te nemen zorgvuldigheid bij het beslissen op de aanvraag zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen acht weken na de verzending van de uitspraak alsnog op de aanvraag van eiser zal moeten beslissen. Verweerder heeft in het verweerschrift van 21 augustus 2020 weliswaar (subsidiair) verzocht om een termijn van acht weken voor het starten van de algemene asielprocedure, maar de rechtbank gaat ervan uit dat verweerder voldoende gelegenheid heeft gekregen om eiser te horen. In verband met de wettelijke procedurevoorschriften kan echter niet worden volstaan met een termijn korter dan acht weken.
- De rechtbank stelt vast dat de eerder aan verweerder opgelegde dwangsommen vooralsnog een onvoldoende prikkel zijn gebleken. Gelet hierop, zal de rechtbank bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt van € 200 voor elke dag dat de in deze uitspraak bepaalde beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.
- De rechtbank ziet geen reden voor een hogere maximumdwangsom, zoals verzocht door eiser.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 267 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor van 0,5). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit aan eiser bekendmaakt; bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) aan eiser verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro); veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 267 (tweehonderdzevenenzestig euro). Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. NL19.
- Richtlijn 2013/32/EU. Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560).