← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:6310

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.8008 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam] , eiseres V-nummer: [Nummer] mede namens haar minderjarige zoon [Naam 2] (geboren op [Geb. datum] 2015) (gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 25 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.8009, plaatsgevonden op 9 juni

  1. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Markarian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiseres bezit de Iraanse nationaliteit en is geboren op [Geb. datum 2]
  3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Tsjechië een verzoek om terugname gedaan. Tsjechië heeft dit verzoek aanvaard.
  4. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.
  5. Niet in het geschil is dat de autoriteiten van Tsjechië in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Tsjechië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan. Eiseres is daarin niet geslaagd, waartoe als volgt wordt overwogen.
  6. De rechtbank acht het van belang dat de Tsjechische autoriteiten het claimverzoek expliciet hebben geaccepteerd, waarmee zij garanderen dat het asielverzoek van eiseres conform de internationale verplichtingen zal worden behandeld en beoordeeld. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat Tsjechië is gebonden aan de Europese asielrichtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn. De in het rapport over 2020 genoemde inbreuk ziet op de weigering van Tsjechië om deel te nemen aan het reallocatie programma van de Europese Unie. Alleen al omdat Tsjechië in het specifieke geval van eiseres heeft ingestemd met terugname, kan uit die weigering geen conclusie worden getrokken ten aanzien van de behandeling van eiseres na overdracht. In het geval in strijd wordt gehandeld met de verdragsverplichtingen dan wel Europese richtlijnen, geldt dat eiseres zich daarover kan beklagen bij de (hogere) Tsjechische autoriteiten en, zo nodig, bij het EHRM. Niet gebleken is dat die mogelijkheid voor eiseres en haar gezin niet bestaat of bij voorbaat kansloos is.
  7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat - gelet op hetgeen door eiseres is aangevoerd - er geen sprake is van concrete aanwijzingen dat Tsjechië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook het beroep op artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest bij overdracht aan Tsjechië slaagt niet, nu eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd waarom gevreesd moet worden voor schending van deze artikelen. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor de conclusie dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er in Tsjechië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen.
  8. Het beroep is ongegrond.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Zohrabian, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  10. Verordening (EU) nr. 604/
  11. Richtlijn 2013/33/EU. Amnesty International, Czech Republic
  12. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.