RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 20/944 v-nummer: […] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres, gemachtigde: mr. M.S. Yap, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. E. van Hoof. Procesverloop Bij besluit van 19 juli 2019 heeft verweerder een aanvraag van eiseres om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 9 januari 2020 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (bestreden besluit). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam 2] , de partner van eiseres, en G.M.A. Alharbia (tolk). Overwegingen 1. Eiseres is van Syrische nationaliteit en heeft een minderjarige dochter, geboren op [geboortedatum] , met de Nederlandse nationaliteit. Zij wenst verblijf bij haar dochter in Nederland op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Eiseres heeft bij de aanvraag overgelegd een Oostenrijks reisdocument, geldig tot 18 augustus 2020. 2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres in Oostenrijk verblijfsrecht heeft en haar dochter daarom niet gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten. 3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat haar asielstatus in Oostenrijk is komen te vervallen en dat zij daar niet langer internationale bescherming geniet. Weigering haar verblijf in Nederland toe te staan kan daarom wel inhouden dat zij en haar dochter de EU moeten verlaten. Eiseres meent dat verweerder nader had moeten onderzoeken of eiseres en haar dochter zich daadwerkelijk in Oostenrijk kunnen vestigen. Ter zitting beroept eiseres zich op een uitspraak van de Afdeling van 16 april 2021. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten worden ontzegd. 5. Zoals het Hof heeft benadrukt, gaat het hierbij om situaties dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten. Dit betekent dat de onderdaan van een derde land geen aanspraak heeft op een afgeleid verblijfsrecht als hij zich met de burger van de Unie naar een andere lidstaat kan begeven. 6. De kern van het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres bij terugkeer in Oostenrijk opnieuw in het bezit gesteld kan worden van een verblijfsrecht en verblijfsdocument. Uit het arrest van het Hof en de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2021 volgt dat het in eerste instantie aan eiseres is om aan te tonen dat zij in Oostenrijk niet langer een verblijfsrecht heeft en dat het weigeren van een verblijfsrecht in Nederland tot gevolg heeft dat (eiseres
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.