Rechtbank Den Haag Team kanton Den Haag CB/c Rolnr.: 9206288 RL EXPL 21-7700 6 juli 2021 Vonnis van de kantonrechter ex art. 254 Rv in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: Verhuurder, gemachtigde: mevr. mr. F.B.M. Groos (Groos Advocatuur), tegen [gedaagde] , tevens handelend onder de naam [naam eenmanszaak] , wonende en zaakdoende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: Huurder, gemachtigde: mr. L. van Waegeningh (Voorhorst Van Waegeningh Advocaten). De procedure 1.1 De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - de dagvaarding van 31 mei 2021, met 28 producties (nrs 1 tot en met 28); - de Zivver-berichten van de gemachtigde van Huurder van 4 en 7 juni 2021 met twaalf producties (nrs. 1 tot en met 12). 1.2 Op 8 juni 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn partijen in persoon verschenen, samen met hun gemachtigden. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Huurder (pleit)aantekeningen overgelegd. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. 1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op 22 juni 2021. 1.4 Op 17 juni 2021 heeft Verhuurder een wrakingsverzoek gedaan, waardoor de procedure werd geschorst. 1.5 Op 1 juli 2021 heeft de Wrakingskamer Verhuurder niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek. Hierop is de procedure hervat en is vonnis nader bepaald op heden. De feiten 2.1 Bij huurovereenkomst van 28 respectievelijk 29 juni 2016 (hierna: de huurovereenkomst) heeft Verhuurder aan Huurder verhuurd de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde) voor de duur van tien jaar. De huidige huurprijs van het gehuurde bedraagt € 16.689,45 per maand, inclusief BTW. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW van de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ) in versie van september 2012 van toepassing verklaard. 2.2 In het gehuurde exploiteert Huurder een hotel. De exploitatie van het gehuurde als hotel vindt plaats in samenhang met andere panden in de nabijheid van het gehuurde, die deels (indirect) aan Huurder toebehoren en die Huurder deels huurt van derden. Niettemin vindt de exploitatie van deze panden tezamen plaats als één onderneming, [naam eenmanszaak] . 2.3 Tot de uitbraak van de corona-pandemie in maart 2020 heeft Huurder steeds tijdig en volledig de huur van het gehuurde betaald. 2.4 Vanaf de uitbraak van de corona-pandemie heeft Huurder de huur onregelmatig en veelal onvolledig betaald. Vanaf oktober 2020 hebben in het geheel geen huurbetalingen meer plaatsgevonden, met dien verstande dat Huurder kort voor de datum van het kort geding een huurbetaling heeft gedaan van € 50.000,- en een bedrag van € 93.000,- in depot heeft gestort op de derdengeldrekening van haar gemachtigde. 2.5 Op basis van de ongewijzigde huurprijs bedroeg de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding een bedrag van € 143.583,75 (incl. BTW). De vorderingen 3.1 Verhuurder vordert bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair (i.) Huurder te veroordelen om binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, het gehuurde te verlaten en volledig en behoorlijk te ontruimen en door afgifte van de sleutels ter volledige vrije beschikking van Verhuurder te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, zulks met machtiging van Verhuurder om bij gebreke van voldoening hieraan, de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van Huurder; subsidiair (ii.) ongewijzigde nakoming van de huurovereenkomst; primair en subsidiair (iii.) Huurder te veroordelen tot betaling van de (achterstallige) huurpenningen aan Verhuurder, op het moment van dagvaarding ten bedrag van € 143.583,75 (waar de voorwaardelijke betaling van € 50.000 op in mindering kan worden gebracht) , vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot aan de dag der algehele voldoening en de contractuele boetes, en: (iv.) Huurder te veroordelen in de door Verhuurder gemaakte redelijke kosten, vastgesteld op 15% van de hoofdsom, zijnde € 15.000, althans € 14.037,45; (v.) Huurder te veroordelen in betaling van de kosten van de procedure, een bedrag voor het salaris van de gemachtigde van Verhuurder daarin mede begrepen, met veroordeling van Huurder in de nakosten van € 131,00 zonder betekening van het vonnis respectievelijk € 199,00 met betekening van het vonnis. 3.2 Verhuurder legt aan zijn vordering ten grondslag dat Huurder zodanig met de nakoming van de betaling van de huur van het gehuurde in gebreke is dat intussen sprake is van een onherstelbaar verzuim dat de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Daarop vooruitlopend vordert Verhuurder in deze procedure de ontruiming van het gehuurde. 3.3 Huurder voert verweer tegen de vordering van Verhuurder. Huurder stelt dat als gevolg van de corona-pandemie zij een ernstige terugval heeft gehad in haar omzet uit het gehuurde. In dat kader heeft zij recht op een zekere huurkorting, waarvan de omvang op dit moment nog niet precies valt vast te stellen, gelet op de prejudiciële vragen, die thans voorliggen bij de Hoge Raad. Niettemin heeft zij zoveel mogelijk de huur betaald, zodat geenszins vaststaat dat er op dit moment sprake is van een wezenlijke huurachterstand. Daarnaast betwist zij het spoedeisend belang aan de zijde van Verhuurder. Tenslotte stelt zij dat in de afweging van de betrokken belangen haar belang tot voortzetting van de huur en daarmee de exploitatie van haar onderneming in het gehuurde moet prevaleren boven de belangen van Verhuurder. De beoordeling Beoordelingskader 4.1 In deze procedure moet worden beoordeeld of zozeer aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld wordt dat de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden zal worden en dat het verantwoord is op een dergelijke beslissing in deze kort geding procedure vooruit te lopen door nu reeds de Huurder tot ontruiming van het gehuurde te veroordelen. Spoedeisend belang 4.2 Naast de beoordeling of het verantwoord is op een beslissing in een nog te voeren bodemprocedure vooruit te lopen dient ook beoordeeld te worden of sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van Verhuurder, waardoor een beslissing in de bodemprocedure niet afgewacht kan worden. 4.3 Verhuurder heeft gesteld dat er sprake is van een spoedeisend belang aan zijn zijde, Huurder heeft dat betwist. 4.4 In beginsel kan een achterstand in de huurbetaling een spoedeisend belang opleveren, zeker als de huurachterstand zodanig hoog oploopt dat twijfels kunnen rijzen of de huurder de achterstallige huur nog wel zal kunnen voldoen en/of in het geval dat als gevolg van de huurachterstand de verhuurder in zodanige liquiditeitsproblemen komt dat zijn eigen bedrijfsvoering in gevaar komt of dat er andere onoverkomelijke knelpunten voor hem ontstaan. 4.5 Er bestaat geen twijfel dat Huurder aan haar totale huurverplichtingen zal kunnen voldoen. De huurachterstand bedraagt immers € 143.000,- en daarvan heeft Huurder kort voor de aanvang van de procedure een bedrag van € 50.000,- aan Verhuurder voldaan. Daarnaast heeft haar gemachtigde, die ook advocaat is, bevestigd dat hij een bedrag van € 93.000,- op zijn derdenrekening in depot heeft. 4.6 Van de financiële positie van Verhuurder is niet veel bekend, anders dan dat hij ter zitting verklaard heeft in [land] inkomen uit dienstbetrekking te hebben en dat hij ter financiering van het gehuurde een hypothecaire lening heeft afgesloten. Het kan zijn dat Verhuurder de huurinkomsten van het gehuurde nodig heeft om zijn verplichtingen ten opzichte van zijn kredietverstrekker(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.