← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:7002

Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam, locatie Dordrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/4018 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2021 in de zaak tussen [naam eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde mr. M. Demoed. Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Bij besluit van 17 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft op 13 mei 2020 heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei

  1. De gemachtigde van eiser is met bericht van verhindering afwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.
  3. Vaststaat is dat eiser op 25 januari 2020 is uitgezet naar Afghanistan. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij onderhavige procedure.
  4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het procesbelang gelegen is in de omstandigheid dat bij een gegrond beroep teruggeleiding naar Nederland aan de orde kan zijn.
  5. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank omdat eiser reeds is uitgezet en er daarom geen uitstel van vertrek meer kan worden gegeven.
  6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Redengevend daarvoor acht de rechtbank dat eiser tegen zijn voorgenomen uitzetting bezwaar heeft aangetekend en tevens bij wijze van voorlopige voorziening heeft verzocht om de behandeling van dat bezwaar in Nederland te mogen afwachten. De voorzieningenrechter heeft de medische toestand van eiser in de beoordeling betrokken en daarin geen aanleiding gezien het verzoek toe te wijzen, ook niet bij wijze van proceduremaatregel met het oog op de behandeling van het verzoek ter zitting (uitspraak van 23 januari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:481). Onder die omstandigheden kan een inhoudelijke behandeling van het beroep niet leiden tot teruggeleiding naar Nederland. Overigens merkt de rechtbank nog op dat eiser in deze procedure geen andere medische stukken heeft overgelegd als in de procedure tegen de feitelijke uitzetting.
  7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 2 juli
  9. De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.