RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL21.9168 en NL21.9142 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.M. Polman), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier). Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2021 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 21 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Bisha. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [1997]. Over bestreden besluit 1 (NL21.9168)
- In het terugkeerbesluit, dat tevens een inreisverbod van twee jaar omvat, heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). en als lichte gronden2 vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het terugkeerbesluit en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
- Nu eiser zijn beroep tegen het terugkeerbesluit niet nader heeft onderbouwd en ook overigens niet is gebleken dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven, zal de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit ongegrond verklaren.
- Eiser voert aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien. Hij heeft in het gehoor namelijk aangegeven dat hij op zoek is naar werk en het is voor hem zeker in Duitsland een reële optie om werk te vinden. Door het inreisverbod wordt hem deze mogelijkheid echter onthouden. Vanuit Albanië om intrekking van het inreisverbod verzoeken is geen goede optie, omdat hij daar geen kosteloze financiële rechtsbijstand krijgt en dit daar ook moeilijker is.
- Naar het oordeel van de rechtbank zijn verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien. Dat eiser werk wil zoeken in Duitsland of een ander land in de Europese Unie is geen reden dat verweerder het inreisverbod niet op had mogen leggen. Eiser heeft er zelf voor gekozen om Nederland in te reizen met het doel om illegaal door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. De consequenties daarvan zijn het gevolg van eisers keuze en komen voor zijn rekening. Bovendien stelt verweerder verder terecht dat eiser de mogelijkheid heeft om te vragen om opheffing van het inreisverbod, indien hij legaal werk kan vinden in de Europese Unie. Dat eiser stelt dat dit in Albanië lastiger is, betekent niet dat dit niet mogelijk is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Over bestreden besluit 2 (NL21.9142)
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de maatregel heeft verweerder dezelfde gronden gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij het terugkeerbesluit.
- De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de maatregel van bewaring en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Nu eiser de gronden niet heeft betwist, geeft dit de rechtbank geen aanleiding de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Over de beroepen
- De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 25 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Mr. D. Verduijn T.R. Vos Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.