← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:7282

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11802 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Soedanese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 11 maart 2020 een asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder die aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
  2. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij in Frankrijk geen opvang heeft gehad. De maandelijkse bijdrage die eiser van de Franse autoriteiten ontving was niet voldoende om in zijn levensonderhoud te voorzien. Eiser vreest bij terugkeer dat hij opnieuw geen toegang zal hebben tot de opvang. Tot slot voert eiser aan dat er geen concreet zicht is op overdracht naar Frankijk waardoor zijn asielaanvraag in Frankrijk niet binnen een redelijke termijn behandeld zal worden. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening dient verweerder de asielaanvraag dan ook in behandeling te nemen, aldus eiser. De rechtbank oordeelt als volgt.
  3. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat eiser eerder in dat land asiel heeft aangevraagd.Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van bezwaren tegen de overdracht aan Frankrijk. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Franse autoriteiten toegezegd de asielaanvraag van eiser te behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. Daarbij mag verweerder er vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat aan eiser in Frankrijk opvang zal worden verleend. Eiser heeft niet met documenten aannemelijk gemaakt dat eraan moet worden getwijfeld dat Frankrijk zijn verplichtingen in dit verband zal nakomen. De enkele verwijzing naar openbare bronnen is hiertoe niet voldoende.
  4. Bij dreigende schending van mensenrechten geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Franse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd.
  5. Dat de overdracht van eiser op het moment van het bestreden besluit niet kon worden uitgevoerd wordt aangemerkt als een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel en maakt de vaststelling van Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. Er is dan ook geen aanleiding om eiser voor het verstrijken van de uiterlijke overdrachtstermijn op te nemen in de nationale asielprocedure. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april
  6. Verweerder heeft tot slot in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel, dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
  7. Het beroep is ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl De uitspraak is bekend gemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 Verordening (EU) nr. 604/
  9. Artikel 18 van de Dublinverordening. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2020:1032.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.