← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:7302

REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/2700 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster, tegen de minister van Rechtsbescherming, verweerder (gemachtigde: mr. F.H. Kamminga). Procesverloop Verzoekster heeft de voorzieningenrechter bij e-mail van 6 april 2021 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2021 door middel van een Skype-verbinding. Verzoekster is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster meerdere e-mails aan de rechtbank heeft gezonden waaruit wisselende wensen over het doel van de procedure afgeleid kunnen worden. Bij brief van 16 april 2021 heeft de voorzieningenrechter verzoekster geïnformeerd over de verschillende manieren waarop de rechtbank het verzoek kan opvatten. Verzoekster heeft vervolgens weer meerdere e-mails aan de rechtbank gezonden, waaruit evenwel geen eenduidige keuze is af te leiden voor wat betreft de wijze waarop de procedure volgens verzoekster moet worden gezien. Om te proberen meer helderheid te verkrijgen over de (gewenste) aard van de procedure heeft de voorzieningenrechter een zitting gehouden. Omdat verzoekster niet verschenen is, heeft zij geen toelichting kunnen geven hierover. De voorzieningenrechter zal daarom een eigen oordeel vormen op grond van alle ingediende stukken.
  3. De voorzieningenrechter gaat er, gelet op de toegezonden e-mails, van uit dat verzoekster heeft getracht een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. De voorzieningenrechter constateert dat er op dit moment geen bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
  4. Voor zover het desalniettemin de wens van verzoekster is om een verzoek om schadevergoeding in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in te dienen, wijst de voorzieningenrechter op het volgende. Een verzoek om schadevergoeding zoals verzoekster in sommige stukken voor ogen lijkt te staan, betreft een complexe juridische materie. Er van uitgaande dat verzoekster de geslachtsnaamwijziging die is geformaliseerd bij het Koninklijk Besluit van 3 december 1999 als schadeveroorzakend besluit aanmerkt, is het oude systeem van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb (oud; per 1 juli 2013 vervallen) nog van toepassing. Daarbij gelden andere vereisten dan bij de huidige procedure waarbij een verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank kan worden ingediend (het huidige artikel 8:88 van de Awb en verder). Indien verzoekster een dergelijke procedure wenst te starten is het, gelet op de genoemde complexiteit en de geldende procedurele vereisten, raadzaam om hierover juridisch advies in te winnen bij een rechtsbijstandverlener of het Juridisch Loket.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli
  6. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.