vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/597138 / HA ZA 20-766 Vonnis van 21 juli 2021 in de zaak van 1HOLLAND GAAS B.V., te De Lier, gemeente Westland, 2. HOLLAND SCHERMING B.V., te De Lier, gemeente Westland, eiseressen, advocaat voorheen mr. R. Brekhoff, thans mr. R. Dijkstra te Amsterdam, tegen VENTIGUARD B.V., te De Lier, gemeente Westland, gedaagde, advocaat mr. R. van Kleeff te Amsterdam. Eiseressen zullen hierna afzonderlijk Holland Gaas en Holland Scherming en gezamenlijk Holland Gaas c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd worden. Gedaagde zal Ventiguard genoemd worden. Voor Holland Gaas c.s. is de zaak inhoudelijk behandeld door mr. Dijkstra voornoemd en mr. B.B. van der Wansem, advocaat te Amsterdam, met bijstand van ir. B. van Trier en ir. F. Geurts, octrooigemachtigden. Voor Ventiguard is de zaak inhoudelijk behandeld door mr. W.A. Hoyng, advocaat te Amsterdam. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de beschikking van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 28 januari 2020, waarbij Holland Gaas c.s. verlof is verleend om Ventiguard te dagvaarden in de versnelde bodemprocedure in octrooizaken; de dagvaarding van 5 februari 2020, met producties EP01 tot en met EP22; de conclusie van antwoord van 14 oktober 2020, met producties GP01 tot en met GP08; de akte houdende reactie op het nietigheidsverweer van Ventiguard tevens vermindering van eis van Holland Gaas c.s. van 9 december 2020, met producties EP23 tot en met EP28; de akte houdende overlegging nadere producties van Holland Gaas c.s. van 20 januari 2021, met producties EP29 tot en met EP31; de akte overlegging nadere producties van Ventiguard van 20 januari 2021, met producties GP09 tot en met GP19; de brief van Ventiguard aan de rechtbank van 16 februari 2021, waarin zij aandacht vraagt voor het bezwaar dat zij in de door haar nog te nemen (en bij de brief gevoegde) akte overlegging reactieve nadere producties zal maken tegen het in het geding brengen door Holland Gaas c.s. van de producties EP29 tot en met EP31 en waarin zij de rechtbank verzoekt in ieder geval op het bezwaar tegen productie EP31 vóór de mondelinge behandeling van de zaak te beslissen; de akte houdende overlegging reactieve nadere producties tevens reactie op het bezwaar van Ventiguard tegen het overleggen van producties EP29-EP31 van Holland Gaas c.s. van 19 februari 2021, met producties EP32 tot en met EP36; de akte overlegging reactieve nadere producties van Ventiguard van 19 februari 2021, met producties GP20 tot en met GP25 en met als bijlage een proceskostenoverzicht; het e-mailbericht aan partijen namens de rechtbank van 4 maart 2021, inhoudende dat productie EP31 wordt geweigerd wegens strijd met een goede procesorde en dat op het bezwaar tegen het in het geding brengen van de producties EP29 en EP30 in een later stadium (mogelijk pas bij vonnis) zal worden beslist; de brief van Holland Gaas c.s. van 5 maart 2021, met daarbij de akte houdende overlegging tussentijds proceskostenoverzicht, met productie EP37; het e-mailbericht van Holland Gaas c.s. van 16 maart 2021, met als bijlage een aanvulling op productie EP37 (proceskostenoverzicht); het e-mailbericht van Ventiguard van 16 maart 2021, met als bijlage een aanvullend proceskostenoverzicht; de schriftelijke pleitaantekeningen van Holland Gaas c.s. van 17 maart 2021; de pleitnotities van Ventiguard van 17 maart 2021; de reactie van Ventiguard op de schriftelijke pleitaantekeningen van Holland Gaas c.s. van 18 maart 2021. 1.2. Op 19 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, in verband met de maatregelen als gevolg van het coronavirus via een videoverbinding. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Holland Gaas is opgericht op 30 december 2005 en legt zich toe op de productie en installatie van gaassystemen voor de tuinbouwsector. Holland Scherming is opgericht op 12 april 1988. Zij is een zusterbedrijf van Holland Gaas en levert scherminstallaties aan de glastuinbouwsector, tuincentra en de utiliteitsbouw. Holland Gaas en Holland Scherming houden beide octrooien en hebben deze aan elkaar in licentie gegeven. 2.2. Ventiguard is opgericht op 5 februari 2018 en houdt zich bezig met de in- en verkoop van insectengaas voor de glastuinbouw. 2.3. De gaassystemen waar het in deze zaak om gaat, hebben tot doel schadelijke insecten op een milieuvriendelijke manier uit kassen te weren en nuttige insecten in de kassen te houden. De systemen worden gemonteerd in ventilatieopeningen in een zij- of dakvlak van de kas, gevormd door glaspanelen die geopend en gesloten kunnen worden. Van de gaassystemen maken onder meer deel uit een insectennet of -gaas en een geleidingsinrichting om vervorming van het gaas (met name bij het openen en sluiten van de glaspanelen) te voorkomen. Voorbeelden van gemonteerde, van Holland Gaas c.s. afkomstige, gaassystemen zijn hieronder weergegeven. 2.4. Holland Scherming was houdster van het Nederlandse octrooi met nummer 1007720 (hierna: NL720), getiteld Werkwijze voor het vervaardigen van een scherm voor een tuinbouwkas alsmede tuinbouwkas voorzien van een scherm. NL720 is op 9 juni 1999 verleend op een aanvraag van 8 december 1997. NL720 is geëxpireerd op 7 december 2017. 2.5. Figuur 4 van NL720 ziet er als volgt uit: 2.6. Holland Scherming was tevens houdster van het Nederlandse octrooi met nummer 1011546 (hierna: NL546), getiteld Doekconstructie. NL546 is op 14 september 2000 verleend op een aanvraag van 12 maart 1999. NL546 is geëxpireerd op 11 maart 2019. 2.7. Holland Gaas is houdster van het Nederlandse octrooi met nummer 2007745 (hierna: NL745), getiteld Geleidingsinrichting voor het geleiden van luchtdoorlatend insectengaas tijdens het in- en uitvouwen van het insectengaas. NL745 is op 13 mei 2013 verleend op een aanvraag van 8 november 2011. 2.8. De conclusies van NL745 luiden als volgt: 2.9. De beschrijving van NL745 houdt in: 2.10. De figuren van NL745 zien er als volgt uit: 2.11. Holland Gaas is tevens houdster van het Nederlandse octrooi met nummer 2015156 (hierna: NL156), getiteld Greenhouse with netting system. NL156 is op 1 februari 2017 verleend op een aanvraag van 10 juli 2015. 2.12. De conclusies van NL156 luiden: 2.13. Figuur 2 van NL156 ziet er als volgt uit. 2.14. Een e-mailbericht van 3 maart 2016 van de heer [eiser] van Holland Gaas aan de heer [naam] van Huisman Scherming BV, een andere in De Lier gevestigde leverancier van insectengaassystemen voor kassen (hierna: Huisman), houdt onder meer in: 2.15. Op 4 maart 2016 heeft [naam] aan [eiser] bericht: 2.16. Ventiguard heeft een insectengaassysteem verkocht ten behoeve van installatie in een kas in Frankrijk. Zij heeft in verband met deze verkoop een orderbevestiging gedateerd 13 april 2018 verzonden. Het verkochte insectennet was vervaardigd overeenkomstig het netsysteem als omschreven in conclusie 1 en getoond in figuur 2 van NL156. 2.17. Op de website van Ventiguard stond in 2018 onder meer het volgende vermeld: 2.18. In of vlak voor februari 2020 zag de website er als volgt uit: 2.19. Namens Holland Gaas is Ventiguard op 5 juni 2018 onder meer gesommeerd om inbreuk op NL546 en NL156, alsmede slaafse nabootsing van de producten van Holland Gaas, te staken. 2.20. Nadat partijen tijdens een bespreking op 19 juli 2018 niet tot overeenstemming over een oplossing voor het tussen hen gerezen geschil waren gekomen, is Ventiguard overgestapt op insectengaas waarvan de vormgeving vergelijkbaar is met die van het insectengaas dat is belichaamd in het op dat moment al geëxpireerde NL720 (zie hiervoor figuur 4 onder 2.5). 2.21. Van 11 tot en met 13 juni 2019 heeft Ventiguard op GreenTech, een vakbeurs voor tuinbouwtechnologie, een product met een geleidingsinrichting voor insectengaas aangeboden dat er als volgt uitzag: 2.22. Een uitvergroot detail uit bovenstaande foto laat het volgende zien: 2.23. Een promotiefolder van Ventiguard die op onder meer de beurs is verspreid bevat onder meer de volgende afbeelding: 2.24. Op 1 juli 2019 is Ventiguard namens Holland Gaas c.s. gesommeerd zich te onthouden van inbreuk op NL745, NL156 en NL546 en van slaafse nabootsing van producten van Holland Gaas c.s. 2.25. Nadat Holland Gaas c.s. in de onderhavige procedure de dagvaarding had uitgebracht, heeft Ventiguard op 9 juli 2020 op de voet van artikel 84 lid 1 ROW met betrekking tot zeven octrooien van Holland Gaas en Holland Scherming, waaronder NL546, NL745 en NL156, advies gevraagd aan Octrooicentrum Nederland (hierna: OCNL) omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste lid, ROW genoemde nietigheidsgronden. In de adviesprocedures heeft Holland Gaas c.s. verweer gevoerd, waarbij zij zich ook op hulpverzoeken heeft beroepen. De adviezen ten aanzien van NL546, NL745 en NL156 zijn op 9 oktober 2020 uitgebracht. 2.26. Het advies van OCNL ten aanzien van NL546 luidt dat: 2.27. Het advies van OCNL ten aanzien van NL745 luidt dat: 2.28. Het advies van OCNL ten aanzien van NL156 luidt dat: 2.29. Ten aanzien van het hulpverzoek dat in de adviesprocedure ter zake NL156 is overgelegd, heeft OCNL overwogen: 3Het geschil 3.1. Holland Gaas c.s. vordert na wijziging van eis - kort samengevat - om Ventiguard te verbieden (directe) inbreuk te maken op NL745 en NL156 en onrechtmatig te handelen, en daarnaast Ventiguard te veroordelen tot het vergoeden van geleden schade dan wel winstafdracht, met nevenvorderingen inhoudende opgave, het informeren van afnemers omtrent het vonnis in een brief, het plaatsen van een bericht omtrent het vonnis op de website www.ventiguard.com, terugroeping en afgifte (ter vernietiging) van inbreukmakende producten, met veroordeling van Ventiguard in de kosten van de procedure op grond van artikel 1019h Rv. 3.2. Holland Gaas c.s. heeft bij akte van 9 december 2020 ingetrokken haar bij dagvaarding ingestelde vorderingen op grond van: inbreuk op NL546; indirecte inbreuk op conclusie 1 van NL156; inbreuk op auteursrechten van Holland Gaas c.s.; het verrichten van oneerlijke handelspraktijken. 3.3. Holland Gaas c.s. legt aan haar vorderingen nu nog - kort gezegd - ten grondslag dat Ventiguard met haar geleidingsinrichting en insectengaas inbreuk maakt op NL745 en NL156. Daarnaast voert zij aan dat Ventiguard onrechtmatig handelt door slaafse nabootsing van producten van Holland Gaas c.s. 3.4. Ventiguard voert verweer. Zij beroept zich onder meer op gebrek aan belang bij toewijzing van de vorderingen, op uitputting, op niet-inbreuk, op nietigheid van NL745 en NL156, op het ontbreken van slaafse nabootsing en op misbruik van machtspositie door Holland Gaas c.s. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling NL745 4.1. Holland Gaas c.s. stelt dat Ventiguard inbreuk maakt op conclusies 1, 2, 3, 4, 7, 8, 10, 11, 12, 13 en 14 van NL745. Ventiguard betwist dat zij inbreuk maakt op (product)conclusie 1 en (werkwijze)conclusie 13 van NL745 omdat haar geleidingsinrichting niet voldoet aan het kenmerk dat de geleidingsinrichting ten minste een tweetal langwerpige elementen omvat die T-vormig met elkaar zijn verbonden. 4.2. Holland Gaas c.s. voert in reactie hierop aan dat de geleidingsinrichting van Ventiguard wel voldoet aan genoemd kenmerk. Zij wijst daarbij op de wijze waarop de hoek van deze inrichting is vormgegeven en stelt dat daar het eerste en tweede langwerpige element (het element dat met een langszijde daarvan aan het gaas is verbonden respectievelijk het element waarvan het uiteinde nabij of op de scharnieras van het raampaneel is bevestigd) T-vormig met elkaar zijn verbonden. Desgevraagd heeft Holland Gaas c.s. zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat genoemd kenmerk uit conclusies 1 en 13 zo moet worden uitgelegd dat niet de geleidingsinrichting als geheel, maar de verbinding T-vormig dient te zijn. 4.3. Partijen verschillen dus van mening over de wijze waarop genoemd kenmerk uit conclusies 1 en 13 moet worden uitgelegd. Artikel 53 lid 2 ROW bepaalt, overeenkomstig artikel 69 lid 1 EOV en het daarbij behorende uitlegprotocol, dat het uitsluitend recht wordt bepaald door de inhoud van de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg van die conclusies. Artikel 1 van het bij artikel 69 EOV behorende uitlegprotocol (hierna: het Protocol) luidt, in de Nederlandse vertaling: Artikel 69 mag niet worden uitgelegd in de zin als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen alleen maar mogen dienen om de onduidelijkheden welke in de conclusies zouden kunnen voorkomen op te heffen. Het mag evenmin worden uitgelegd in die zin, als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de bescherming zich ook uitstrekken tot datgene wat de octrooihouder, naar het oordeel van de deskundige die beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg moet daarentegen tussen deze twee uitersten het midden houden, waarbij zowel een redelijke bescherming aan de aanvrager als een redelijke rechtszekerheid aan derden wordt geboden. 4.4. In overeenstemming met deze uitlegregel van het Protocol heeft de Hoge Raad de in zijn eerdere uitspraken gebezigde formuleringen, “hetgeen voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is”, onderscheidenlijk “de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte”, bestempeld als gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies (de “uitersten” in de woorden van het Protocol). Daarbij dient het achterhalen van de achter de woorden van de conclusies liggende uitvindingsgedachte ertoe een uitsluitend op de letterlijke betekenis van de bewoordingen gegronde en daarom voor een redelijke bescherming van de octrooihouder wellicht te beperkte of onnodig ruime uitleg te vermijden. De beschrijving en de tekeningen vormen in dat kader een belangrijke bron. Van de beschrijving maakt onderdeel uit een weergave van de stand van de techniek die de aanvrager als nuttig beschouwt voor het begrijpen van de uitvinding. Ook niet in de beschrijving genoemde stand van de techniek kan van belang zijn. Bij de uitleg van een octrooi is immers leidend het perspectief van de gemiddelde vakman met zijn kennis van de stand van de techniek. 4.5. Voor de uitleg van het kenmerk dat de geleidingsinrichting ten minste een tweetal langwerpige elementen omvat die T-vormig met elkaar zijn verbonden uit conclusies 1 en 13 moet derhalve worden vastgesteld hoe de gemiddelde vakman dit na raadpleging van de beschrijving en de tekeningen van NL745 zal begrijpen. 4.6. In de beschrijving van NL745 is als nadeel van uit de stand van de techniek bekende geleidingsinrichtingen beschreven dat deze een relatief beperkte levensduur hebben, relatief veel ruimte in beslag nemen, veel licht wegvangen en het insectengaas relatief zwaar maken. Als doel van de uitvinding is derhalve omschreven een relatief lichte, duurzame en kostengunstige geleidingsinrichting te verschaffen die in elke willekeurige positie van het raampaneel weinig ruimte zal innemen. Vervolgens wordt beschreven dat dit doel van de uitvinding wordt bereikt doordat de geleidingsinrichting ten minste een tweetal langwerpige elementen omvat die T-vormig met elkaar zijn verbonden, waarbij een eerste langwerpig element ten minste met een langszijde daarvan met het insectengaas is verbonden en een uiteinde van een tweede langwerpig element scharnierbaar met behulp van een scharniermechanisme nabij of op de scharnieras van het raampaneel is bevestigd. 4.7. Op pagina 2, regel 10 tot en met 15, van de beschrijving is opgenomen: 4.8. De vakman leest hier dat in ongeveer het midden van het eerste langwerpige element een uiteinde van het tweede langwerpige element is bevestigd. Ook leest de vakman in deze passage dat het deze plaats van bevestiging is die de geleidingsinrichting T-vormig maakt en de geoctrooieerde geleidingsinrichting verschaft. De hiervoor geciteerde passage beschrijft de uitvinding in het algemeen, pas vanaf pagina 3 volgt een beschrijving van verschillende uitvoeringsvormen en vanaf pagina 4, regel 20, een uitvoeringsvoorbeeld. De vakman zal uit die passage dan ook niet afleiden dat dit slechts een voorbeeld van de geleidingsinrichting volgens het octrooi betreft, zoals door Holland Gaas c.s. aangevoerd. 4.9. In de beschrijving wordt voorts in de toelichting op de tekeningen ten aanzien van het aspect ten minste een tweetal langwerpige elementen die T-vormig met elkaar zijn verbonden op pagina 5, regel 25 tot en met 29, verwezen naar figuur 2a van NL745: 4.10. Figuur 2a toont een tweetal langwerpige elementen waarbij in ongeveer het midden van het eerste langwerpige element een uiteinde van het tweede langwerpige element is bevestigd: 4.11. Ook Figuur 3a toont een T-vorm waarbij in ongeveer het midden van een eerste langwerpige element een uiteinde van een tweede langwerpige element is bevestigd. 4.12. Ten aanzien van de wijze van verbinding van de langwerpige elementen is in de beschrijving van NL754 opgenomen dat dit met behulp van een flexibele koppeling, vervaardigd van metaaldraad, geschiedt. T-vormigheid van de verbinding (zelf) en eventuele voordelen daarvan komen hierbij niet aan de orde. 4.13. De vakman is, zoals Ventiguard onweersproken heeft gesteld, bekend met U-vormige geleidingsinrichtingen uit de stand van de techniek. NL745 beschrijft als doel van de uitvinding ten opzichte van die stand van de techniek een lichtere, minder ruimte in beslag nemende en minder licht wegvangende constructie van de geleidingsinrichting. De vakman zal inzien dat een constructie met een tweede langwerpig element dat ongeveer in het midden van het eerste langwerpig element daarmee is verbonden, beantwoordt aan die doelstelling. Daarmee kan met minder materiaal dan de bekende U-vorm in- of uitbollen van het gaas worden voorkomen. Met die doelstelling van het octrooi lijkt niet te rijmen de stelling van Holland Gaas c.s. dat T-vormig in het octrooi (uitsluitend) betekent dat een tweede langwerpige element zich niet in het zijpaneel van het insectengaas bevindt. 4.14. Gezien de beschrijving en de tekeningen van NL745, zal de vakman dan ook begrijpen dat het kenmerk dat de geleidingsinrichting ten minste een tweetal langwerpige elementen omvat die T-vormig met elkaar zijn verbonden in conclusies 1 en 13 zo moet worden uitgelegd dat in ongeveer het midden van het eerste langwerpige element een uiteinde van het tweede langwerpige element is bevestigd en derhalve dat T-vormig ziet op de positie die de langwerpige elementen als geheel gezien ten opzichte van elkaar innemen, en niet uitsluitend op de verbinding tussen de elementen. 4.15. Ventiguard heeft onweersproken gesteld dat in haar product, zoals hiervoor onder 2.21 weergegeven, de verbinding tussen het eerste langwerpige element en het tweede langwerpige element is aangebracht op ongeveer 4 centimeter van het einde van het langwerpige element dat in de kap (het insectengaas aan de lange zijde van het raampaneel) is gestoken en dat dit element bij moderne kappen, die over het algemeen 3,75 meter breed zijn, 2,5 meter lang is. Hiervan uitgaande is het uiteinde van het tweede langwerpige element bevestigd op 4 centimeter vanaf de ene kant van het eerste langwerpige element en op 246 centimeter vanaf de andere kant van het eerste langwerpige element). Daarmee is, zo oordeelt de rechtbank, het tweede langwerpige element niet in ongeveer het midden van eerste langwerpige element bevestigd en zijn deze elementen derhalve niet T-vormig met elkaar verbonden in de zin van conclusies 1 en 13 van NL745. 4.16. De stelling van Holland Gaas c.s. dat de beschermingsomvang van het octrooi zich uitstrekt tot twee ‘sets’ van langwerpige elementen die onderling met elkaar zijn verbonden aan een uiteinde van de evenwijdig aan het gaas gepositioneerde langwerpige elementen (de koppen van de T’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.