Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 19-405 Zaaknummer: C/09/575576 Datum beschikking: 20 april 2021 Beschikking op het op 17 juni 2019 ingekomen verzoekschrift van: [X] , verzoekster, ten tijde van de indiening van het verzoekschrift verblijvende te [verblijfplaats] , advocaat mr. T. Volckmann te Deventer. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door mr. J.E.A. Pesch. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 6 augustus 2019 van de zijde van de IND; - het verweerschrift van de IND van 14 juli 2020; - de brief van 8 augustus 2020 van de zijde van verzoekster; - de brief van 24 september 2020 van de zijde van de IND; - de conclusie van de officier van justitie d.d. 18 januari 2021. De officier van justitie heeft in voormelde conclusie tevens medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling. Op 23 februari 2021 is de zaak ter terechtzitting van deze behandeld, in de vorm van een digitale behandeling via Skype. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster; mr. J.E.A. Pesch namens de IND. Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen: - het e-mailbericht van 23 februari 2021, met bijlage, van de zijde van de IND. Verzoek en onderbouwing Het verzoekschrift strekt ertoe bij beschikking, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, het Nederlanderschap van verzoekster vast te stellen, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangevoerd. Verzoekster bezat vanaf haar geboorte de Australische en de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster erkent dat zij tijdens haar meerderjarigheid gedurende een periode van tien jaar ononderbroken in Australië heeft verbleven en dat zij door tijdsverloop haar Nederlanderschap op grond van artikel 15, lid 1 aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) heeft verloren. Verzoekster stelt echter dat dit artikel buiten toepassing dient te blijven, omdat het verlies van het Nederlanderschap – en daarmee het verlies van het burgerschap van de Europese Unie (hierna: het Unieburgerschap) – voor verzoekster onevenredig is. Verzoekster voert daartoe aan dat er sprake is van een schending van artikel 8 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en de daarin vervatte bescherming van het familie- en gezinsleven. Zo is er sprake van een exclusieve afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en haar moeder. Verzoekster was, evenals haar tweelingzus, woonachtig in Australië en haar moeder is in 2007 (weer) naar Australië verhuisd met de intentie om zich fysiek en mentaal door haar dochters te laten verzorgen. Verzoekster wijst op dit punt naar de brief die haar moeder op 19 januari 2013 heeft geschreven aan de gemeente [verblijfplaats] , waaruit de exclusieve afhankelijkheidsrelatie zou blijken. Ook wijst verzoekster erop dat zij en haar tweelingzus in Australië vijf keer hebben moeten verhuizen om hun moeder mantelzorg te kunnen blijven bieden. De moeder is op basis van gewijzigde emigratiewetgeving echter gedwongen geweest om Australië te verlaten en terug te keren naar Nederland. Ten tijde van het verliesmoment was voorzienbaar dat verzoekster ten behoeve van de verzorging van haar moeder naar Nederland zou willen verhuizen, maar op het moment dat de moeder Australië moest verlaten kon verzoekster haar moeder niet naar Nederland volgen wegens objectieve belemmeringen. Ten eerste beschikte verzoekster over onvoldoende financiële middelen. Verzoekster was in Australië afhankelijk van een bijstandsuitkering en was gezien haar leeftijd moeilijk bemiddelbaar op de (sowieso krappe) Australische arbeidsmarkt. Dit betekent dat verzoekster geen financiële ruimte had en/of heeft om haar moeder op regelmatige basis in Nederland te bezoeken en de maximale visumtermijn van drie maanden financieel te kunnen overbruggen. Het voornemen om zich opnieuw in Nederland te vestigen wordt hierdoor doorkruist. Dit wringt te meer omdat de moeder zich wegens de Australische emigratiewetgeving niet opnieuw in Australië kan vestigen. Daarnaast ervoer verzoekster een morele verplichting ten opzichte van haar tweelingzus om in Australië te blijven, zodat haar zus niet in financiële problemen zou komen. Verder voert verzoekster aan dat het voor haar niet voorzienbaar was dat artikel 15, lid 1, aanhef en onder c, RWN zou worden ingevoerd en stelt zij dat de Nederlandse Staat nalatig is geweest in de informatievoorziening met betrekking tot de inwerkingtreding van dit artikel. Verzoekster heeft aldus geen overwogen keuze kunnen maken ten aanzien van het behoud van haar beide nationaliteiten. Standpunt van de IND De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Verzoekster heeft – zoals ter zitting door de IND is onderkend – bij haar geboorte, naast de Australische, ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. De Nederlandse nationaliteit heeft zij inmiddels verloren op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en onder c, RWN, nu verzoekster van 1 april 2003 tot 1 april 2013 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Australië. Gesteld noch gebleken is dat zij de voornoemde termijn van tien jaren heeft gestuit als bedoeld in artikel 15, lid 4, RWN. De IND betwist daarbij dat het verlies van het Nederlanderschap in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zo is niet gebleken van beschermingswaardig familie- of gezinslevens als bedoeld in artikel 8 EVRM, nu er geen sprake is van het bestaan van ‘more than the normal emotional ties’ tussen verzoekster en haar moeder. Zo was de moeder op het verliesmoment, 1 april 2013, niet financieel of materieel afhankelijk van verzoekster. De moeder heeft bij aankomst in Nederland een appartement betrokken en ontving zowel een Nederlandse als een Australische AOW-uitkering. Verzoekster heeft haar moeder bovendien in 2015 bezocht en de situatie zou destijds in orde zijn geweest. De IND wijst hierbij op een brief van verzoekster uit mei 2020 waarin onder meer is vermeld dat de moeder tevreden is met haar appartement in Nederland. Evenmin was er sprake van een voorzienbare zorgbehoefte aan de zijde van de moeder van verzoekster. Zo werd op 1 april 2013 nog geen mantelzorg aan de moeder verleend. De mantelzorg is kennelijk pas in Nederland ontstaan nadat haar moeder in 2019 werd opgelicht en een heup heeft gebroken. Daarnaast wijst de IND erop dat niet concreet is onderbouwd dat verzoekster op 1 april 2013 de intentie had om langdurig naar Nederland te komen ten behoeve van de mantelzorg voor haar moeder. Het tijdsverloop tussen het verlies van het Nederlanderschap en de overkomst naar Nederland in 2019 in verband met acute mantelzorg is dermate groot dat niet gesteld kan worden dat op 1 april 2013 voorzienbaar was dat verzoekster met het unieburgerschap gepaard gaande rechten uit zou gaan oefenen. De enkele omstandigheid dat de financiële situatie van verzoekster het op 1 april 2013 niet toeliet om haar moeder regelmatig te bezoeken, leidt er niet toe dat er sprake is van een onevenredigheid. Daarnaast wijst de IND erop dat personen met een Australische nationaliteit niet visumplichtig zijn voor kort verblijf in Nederland of in een Schengengebied. Ten aanzien van de informatievoorziening wijst de IND erop dat er in 2013 een actieve voorlichtingscampagne is gevoerd in onder meer de media. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich in zijn conclusie aangesloten bij het standpunt van de IND. Feiten - Verzoekster is, volgens een overgelegd kopie van de geboorteakte, op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] , Australië, geboren als [naam bij geboorte] . - Blijkens een kopie van de Change of name certificate uit het Registrar of Births, Deaths and Marriages van Western Australia van 21 december 2005, geregistreerd onder nummer [nr] /2005, is op voormelde datum de geslachtsnaam van verzoekster gewijzigd van ‘ [geslachtnaam bij geboorte] ’ in ‘ [huidige geslachtsnaam] ’. - Verzoekster heeft door geboorte op het grondgebied van Australië van rechtswege de Australische nationaliteit verkregen. Zij heeft tevens op enig moment de Nederlandse nationaliteit verkregen. - De ouders van verzoekster zijn beiden in Nederland geboren en zijn met elkaar gehuwd geweest. Verzoekster is voor het huwelijk van haar ouders geboren. - De vader van verzoekster is in 1955 geëmigreerd naar Australië en heeft daar tot zijn overlijden gewoond. - Verzoekster heeft in het verleden zowel in Nederland als in Australië gewoond. In 1999 is verzoekster met haar zoon en haar zus naar Australië vertrokken. In het register niet-ingezetenen (RNI) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties staat verzoekster met ingang van 7 december 2000 ingeschreven met een onbekend adres. - De moeder van verzoekster, toen 72 jaar oud, heeft zich in 2007 bij haar dochters en kleinzoon in Australië gevoegd. - In de brief van 4 september 2012 van het Australische Departement of Immigration and Citizenship staat vermeld dat de moeder van verzoekster op 26 juli 2012 een aanvraag heeft ingediend voor een Resident Return Visa. - Bij brief van 4 december 2012 van het Australische Departement of Immigration and Citizenship is aan de moeder van verzoekster bevestigd dat de aanvraag voor de Resident Return Visa is ingetrokken en dat het visum op grond waarvan de moeder rechtmatig in Australië verbleef op 1 januari 2013 zou aflopen. Uiterlijk op deze datum diende de moeder van verzoekster, tenzij zij in de tussentijd een andere visum zou verkrijgen, Australië te verlaten. - Begin 2013 is de moeder van verzoekster teruggekeerd naar Nederland. Zij heeft kennelijk eerst een appartement betrokken en verblijft sinds 25 maart 2019 in een woonzorgcentrum. - Verzoekster ontving sinds 14 september 2016 twee keer per maand onder meer een ‘Newstart Allowance’ van het Australische Department of Human Services en heeft in juni 2018 tezamen met haar zus, [naam zus X] , een woning in Australië gehuurd. - Op 14 februari 2019 zijn verzoekster en haar zus afgereisd naar Nederland, wegens de zorgelijke psychische situatie van de moeder. - Op 11 maart 2019 heeft verzoekster tezamen met haar zus bij de politie per e-mail melding gemaakt van misleiding, oplichting, valse belasting aangifte en agressief en intimiderend gedrag jegens haar moeder door een vrijwilliger van het woonzorgcentrum waar de moeder van verzoekster verbleef. - De moeder van verzoekster heeft in maart 2019 haar heup gebroken. - Op 30 april 2019 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een identiteitskaart en heeft zij geïnformeerd naar haar rechten op sociale voorzieningen. Aan haar is een bijstandsuitkering toegekend. - Ook op 30 april 2019 heeft verzoekster bij de gemeente [verblijfplaats] aangifte gedaan van vestiging vanuit het buitenland. Bij brief van 8 mei 2019 van de gemeente [verblijfplaats] is aan verzoekster medegedeeld dat de gemeente het voornemen heeft om geen gevolg te geven aan het verzoek tot inschrijving. In de brief staat verder vermeld dat verzoekster door het verblijf van tien jaren buiten Nederland op grond van artikel 15, lid 1, en onder c, RWN de Nederlandse nationaliteit heeft verloren en dat zij door dit verlies niet rechtmatig in Nederland verblijft. - Verzoekster heeft, om in de gelegenheid te worden gesteld de behandeling van deze zaak in Nederland af te wachten, een tijdelijke verblijfstitel verkregen. Verzoekster is blijkens het door de rechtbank ambtshalve geraadpleegde systeem ingevolge de Wet Basisregistratie personen per 7 september 2020 uitgeschreven uit de brp. In de RNI is opgenomen dat verzoekster per diezelfde datum is vertrokken naar Australië. De bijstandsuitkering van verzoekster is per 6 september 2020 geëindigd. Beoordeling In geschil is of verzoekster op dit moment nog in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verlies van het Nederlanderschap Vaststaat dat verzoekster bij haar geboorte in Australië de Australische nationaliteit heeft verkregen en ter zitting heeft de IND onderkend dat verzoekster op enig moment (voorafgaand aan het intreden van de verliestermijn) ook de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verder staat vast dat verzoekster op 1 april 2003 meerderjarig was en dat zij vanaf die datum tot 1 april 2013 ononderbroken in Australië woonachtig is geweest. In dit geval is toepasselijk artikel 15, lid 1, aanhef en onder c, RWN. Tussen partijen staat vast dat de verliestermijn van tien jaren als genoemd in voormeld artikel is aangevangen op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat de verliestermijn op 1 april 2003 is aangevangen en op 1 april 2013 is verstreken. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster de tienjaarstermijn heeft gestuit als bedoeld in artikel 15, lid 4, RWN. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verzoekster van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren op 1 april 2013. Evenredigheidstoets De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 april 2020, (ECLI:NL:HR:2020:593), voor zover van belang, het volgende overwogen: “3.5 Hetgeen hiervoor (…) is overwogen, komt in de kern erop neer dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar Suriname terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond (…) om de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.